NL: bijbouwenSynoniemen: uitbouwen, aanbouwen
EN: extend, build out, expand, build, add, add on to, add new buildings
FR: agrandir, construire, bâtir, ajouter à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bijgebouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bouw bij jij bouwt bij hij bouwt bij wij bouwen bij jullie bouwen bij zij bouwen bij
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bijgebouwd jij hebt bijgebouwd hij heeft bijgebouwd wij hebben bijgebouwd jullie hebben bijgebouwd zij hebben bijgebouwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bouwde bij jij bouwde bij hij bouwde bij wij bouwden bij jullie bouwden bij zij bouwden bij
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bijgebouwd jij had bijgebouwd hij had bijgebouwd wij hadden bijgebouwd jullie hadden bijgebouwd zij hadden bijgebouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bijbouwen jij zult bijbouwen hij zal bijbouwen wij zullen bijbouwen jullie zullen bijbouwen zij zullen bijbouwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bijgebouwd hebben jij zult bijgebouwd hebben hij zal bijgebouwd hebben wij zullen bijgebouwd hebben jullie zullen bijgebouwd hebben zij zullen bijgebouwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bijbouwen jij zou bijbouwen hij zou bijbouwen wij zouden bijbouwen jullie zouden bijbouwen zij zouden bijbouwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bijgebouwd hebben jij zou bijgebouwd hebben hij zou bijgebouwd hebben wij zouden bijgebouwd hebben jullie zouden bijgebouwd hebben zij zouden bijgebouwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bouw bij
|