NL: biechtenSynoniemen: opbiechten
DE: beichten, eingestehen
EN: confess, unburden oneself, admit
ES: confesarse, confesar
FR: confesser, se confesser, avouer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebiecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik biecht jij biecht hij biecht wij biechten jullie biechten zij biechten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebiecht jij hebt gebiecht hij heeft gebiecht wij hebben gebiecht jullie hebben gebiecht zij hebben gebiecht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik biechtte jij biechtte hij biechtte wij biechtten jullie biechtten zij biechtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebiecht jij had gebiecht hij had gebiecht wij hadden gebiecht jullie hadden gebiecht zij hadden gebiecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal biechten jij zult biechten hij zal biechten wij zullen biechten jullie zullen biechten zij zullen biechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebiecht hebben jij zult gebiecht hebben hij zal gebiecht hebben wij zullen gebiecht hebben jullie zullen gebiecht hebben zij zullen gebiecht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou biechten jij zou biechten hij zou biechten wij zouden biechten jullie zouden biechten zij zouden biechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebiecht hebben jij zou gebiecht hebben hij zou gebiecht hebben wij zouden gebiecht hebben jullie zouden gebiecht hebben zij zouden gebiecht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
biecht
|