NL: bibberenSynoniemen: beven, klappertanden, rillen, sidderen, trillen, huiveren, koulijden, kleumen
DE: das Zittern, das Schlottern
EN: the shiver, the shake, the quiver, the tremor, the tremble, the shudder
ES: el tembleque, el escalofrío
FR: le frisson, le tremblement, le frémissement, le frissonnement
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebibberd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bibber jij bibbert hij bibbert wij bibberen jullie bibberen zij bibberen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebibberd jij hebt gebibberd hij heeft gebibberd wij hebben gebibberd jullie hebben gebibberd zij hebben gebibberd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bibberde jij bibberde hij bibberde wij bibberden jullie bibberden zij bibberden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebibberd jij had gebibberd hij had gebibberd wij hadden gebibberd jullie hadden gebibberd zij hadden gebibberd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bibberen jij zult bibberen hij zal bibberen wij zullen bibberen jullie zullen bibberen zij zullen bibberen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebibberd hebben jij zult gebibberd hebben hij zal gebibberd hebben wij zullen gebibberd hebben jullie zullen gebibberd hebben zij zullen gebibberd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bibberen jij zou bibberen hij zou bibberen wij zouden bibberen jullie zouden bibberen zij zouden bibberen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebibberd hebben jij zou gebibberd hebben hij zou gebibberd hebben wij zouden gebibberd hebben jullie zouden gebibberd hebben zij zouden gebibberd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bibber
|