NL: bezielenSynoniemen: aanvuren, stimuleren, opwekken, oppeppen, activeren, aanmoedigen, toejuichen, inspireren, verven, drenken
DE: bezielen (aanvuren): anspornen, anfeuern, anheizen
EN: bezielen (aanvuren): encourage, cheer on, incite, inspire, fire, strike into
ES: bezielen (aanvuren): estimular, alentar, animar, avivar, entusiasmar, envalentonar
FR: bezielen (aanvuren): promouvoir, favoriser, ovationner, ranimer, applaudir, exciter, inspirer, acclamer, stimuler, attiser, enthousiasmer, vivifier, donner du courage, animer quelqu'un
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bezield
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beziel jij bezielt hij bezielt wij bezielen jullie bezielen zij bezielen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bezield jij hebt bezield hij heeft bezield wij hebben bezield jullie hebben bezield zij hebben bezield
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bezielde jij bezielde hij bezielde wij bezielden jullie bezielden zij bezielden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bezield jij had bezield hij had bezield wij hadden bezield jullie hadden bezield zij hadden bezield
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bezielen jij zult bezielen hij zal bezielen wij zullen bezielen jullie zullen bezielen zij zullen bezielen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bezield hebben jij zult bezield hebben hij zal bezield hebben wij zullen bezield hebben jullie zullen bezield hebben zij zullen bezield hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bezielen jij zou bezielen hij zou bezielen wij zouden bezielen jullie zouden bezielen zij zouden bezielen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bezield hebben jij zou bezield hebben hij zou bezield hebben wij zouden bezield hebben jullie zouden bezield hebben zij zouden bezield hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beziel
|