NL: bezichtigenDE: beschuldigen, anklagen, anlasten, anschuldigen, eine Anklage einreichen/erheben, eine Klage einreichen/erheben, klagen, verklagen, zur Last legen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bezichtigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bezichtig jij bezichtigt hij bezichtigt wij bezichtigen jullie bezichtigen zij bezichtigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bezichtigd jij hebt bezichtigd hij heeft bezichtigd wij hebben bezichtigd jullie hebben bezichtigd zij hebben bezichtigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bezichtigde jij bezichtigde hij bezichtigde wij bezichtigden jullie bezichtigden zij bezichtigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bezichtigd jij had bezichtigd hij had bezichtigd wij hadden bezichtigd jullie hadden bezichtigd zij hadden bezichtigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bezichtigen jij zult bezichtigen hij zal bezichtigen wij zullen bezichtigen jullie zullen bezichtigen zij zullen bezichtigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bezichtigd hebben jij zult bezichtigd hebben hij zal bezichtigd hebben wij zullen bezichtigd hebben jullie zullen bezichtigd hebben zij zullen bezichtigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bezichtigen jij zou bezichtigen hij zou bezichtigen wij zouden bezichtigen jullie zouden bezichtigen zij zouden bezichtigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bezichtigd hebben jij zou bezichtigd hebben hij zou bezichtigd hebben wij zouden bezichtigd hebben jullie zouden bezichtigd hebben zij zouden bezichtigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bezichtig
|
DE: bezichtigenSynoniemen: beschuldigen, anklagen, anlasten, anschuldigen, eine Anklage einreichen/erheben, eine Klage einreichen/erheben, klagen, verklagen, zur Last legen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bezichtigt bezichtigend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bezichtige du bezichtigst er bezichtigt wir bezichtigen ihr bezichtigt sie; Sie bezichtigen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bezichtigt du hast bezichtigt er hat bezichtigt wir haben bezichtigt ihr habt bezichtigt sie; Sie haben bezichtigt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bezichtigte du bezichtigtest er bezichtigte wir bezichtigten ihr bezichtigtet sie; Sie bezichtigten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bezichtigt du hattest bezichtigt er hatte bezichtigt wir hatten bezichtigt ihr hattet bezichtigt sie; Sie hatten bezichtigt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bezichtigen du wirst bezichtigen er wird bezichtigen wir werden bezichtigen ihr werdet bezichtigen sie; Sie werden bezichtigen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bezichtigt haben du wirst bezichtigt haben er wird bezichtigt haben wir werden bezichtigt haben ihr werdet bezichtigt haben sie; Sie werden bezichtigt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bezichtige du bezichtigest er bezichtige wir bezichtigen ihr bezichtiget sie; Sie bezichtigen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bezichtigt du habest bezichtigt er habe bezichtigt wir haben bezichtigt ihr habet bezichtigt sie; Sie haben bezichtigt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bezichtigte du bezichtigtest er bezichtigte wir bezichtigten ihr bezichtigtet sie; Sie bezichtigten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bezichtigt du hättest bezichtigt er hätte bezichtigt wir hätten bezichtigt ihr hättet bezichtigt sie; Sie hätten bezichtigt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bezichtigen du würdest bezichtigen er würde bezichtigen wir würden bezichtigen ihr würdet bezichtigen sie; Sie würden bezichtigen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bezichtigt haben du würdest bezichtigt haben er würde bezichtigt haben wir würden bezichtigt haben ihr würdet bezichtigt haben sie; Sie würden bezichtigt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bezichtige
|