NL: bewierokenSynoniemen: dwepen, loven, vereren
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bewierookt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bewierook jij bewierookt hij bewierookt wij bewieroken jullie bewieroken zij bewieroken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bewierookt jij hebt bewierookt hij heeft bewierookt wij hebben bewierookt jullie hebben bewierookt zij hebben bewierookt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bewierookte jij bewierookte hij bewierookte wij bewierookten jullie bewierookten zij bewierookten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bewierookt jij had bewierookt hij had bewierookt wij hadden bewierookt jullie hadden bewierookt zij hadden bewierookt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bewieroken jij zult bewieroken hij zal bewieroken wij zullen bewieroken jullie zullen bewieroken zij zullen bewieroken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bewierookt hebben jij zult bewierookt hebben hij zal bewierookt hebben wij zullen bewierookt hebben jullie zullen bewierookt hebben zij zullen bewierookt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bewieroken jij zou bewieroken hij zou bewieroken wij zouden bewieroken jullie zouden bewieroken zij zouden bewieroken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bewierookt hebben jij zou bewierookt hebben hij zou bewierookt hebben wij zouden bewierookt hebben jullie zouden bewierookt hebben zij zouden bewierookt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bewierook
|