NL: bewerenSynoniemen: pretenderen, staande houden, , voorgeven, verklaren, stellen, verzekeren
DE: das Angeben, die behauptung
EN: the claim, the assert, the statement, the assertion
ES: el aserto, la aserción, la afirmacion, la alegación
FR: la affirmation, la assertion
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
beweerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beweer jij beweert hij beweert wij beweren jullie beweren zij beweren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb beweerd jij hebt beweerd hij heeft beweerd wij hebben beweerd jullie hebben beweerd zij hebben beweerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beweerde jij beweerde hij beweerde wij beweerden jullie beweerden zij beweerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had beweerd jij had beweerd hij had beweerd wij hadden beweerd jullie hadden beweerd zij hadden beweerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal beweren jij zult beweren hij zal beweren wij zullen beweren jullie zullen beweren zij zullen beweren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal beweerd hebben jij zult beweerd hebben hij zal beweerd hebben wij zullen beweerd hebben jullie zullen beweerd hebben zij zullen beweerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou beweren jij zou beweren hij zou beweren wij zouden beweren jullie zouden beweren zij zouden beweren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou beweerd hebben jij zou beweerd hebben hij zou beweerd hebben wij zouden beweerd hebben jullie zouden beweerd hebben zij zouden beweerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beweer
|