NL: betrouwen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
betrouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik betrouw jij betrouwt hij betrouwt wij betrouwen jullie betrouwen zij betrouwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb betrouwd jij hebt betrouwd hij heeft betrouwd wij hebben betrouwd jullie hebben betrouwd zij hebben betrouwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik betrouwde jij betrouwde hij betrouwde wij betrouwden jullie betrouwden zij betrouwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had betrouwd jij had betrouwd hij had betrouwd wij hadden betrouwd jullie hadden betrouwd zij hadden betrouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal betrouwen jij zult betrouwen hij zal betrouwen wij zullen betrouwen jullie zullen betrouwen zij zullen betrouwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal betrouwd hebben jij zult betrouwd hebben hij zal betrouwd hebben wij zullen betrouwd hebben jullie zullen betrouwd hebben zij zullen betrouwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou betrouwen jij zou betrouwen hij zou betrouwen wij zouden betrouwen jullie zouden betrouwen zij zouden betrouwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou betrouwd hebben jij zou betrouwd hebben hij zou betrouwd hebben wij zouden betrouwd hebben jullie zouden betrouwd hebben zij zouden betrouwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
betrouw
|