NL: betredenSynoniemen: begaan, belopen, bewandelen, binnentreden, ingaan, binnenstappen, binnenlopen, binnenkomen, binnengaan
DE: betreten
EN: set foot on, enter
ES: pisar
FR: entrer dans, pénétrer dans
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
betreden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik betreed jij betreedt hij betreedt wij betreden jullie betreden zij betreden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb betreden jij hebt betreden hij heeft betreden wij hebben betreden jullie hebben betreden zij hebben betreden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik betrad jij betrad hij betrad wij betraden jullie betraden zij betraden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had betreden jij had betreden hij had betreden wij hadden betreden jullie hadden betreden zij hadden betreden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal betreden jij zult betreden hij zal betreden wij zullen betreden jullie zullen betreden zij zullen betreden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal betreden hebben jij zult betreden hebben hij zal betreden hebben wij zullen betreden hebben jullie zullen betreden hebben zij zullen betreden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou betreden jij zou betreden hij zou betreden wij zouden betreden jullie zouden betreden zij zouden betreden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou betreden hebben jij zou betreden hebben hij zou betreden hebben wij zouden betreden hebben jullie zouden betreden hebben zij zouden betreden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
betreed
|