NL: betichtenSynoniemen: aanklagen, beschuldigen, verdenken, incrimineren
DE: betichten (verdacht maken): verdächtigen, beschuldigen, anklagen
EN: betichten (verdacht maken): accuse, insinuate, charge, incriminate
ES: betichten (verdacht maken): sospechar, acusar, adivinar, culpar, conjeturar, inculpar, barruntar
FR: betichten (verdacht maken): accuser, soupçonner, charger, suspecter, imputer, inculper, incriminer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
beticht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beticht jij beticht hij beticht wij betichten jullie betichten zij betichten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb beticht jij hebt beticht hij heeft beticht wij hebben beticht jullie hebben beticht zij hebben beticht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik betichtte jij betichtte hij betichtte wij betichtten jullie betichtten zij betichtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had beticht jij had beticht hij had beticht wij hadden beticht jullie hadden beticht zij hadden beticht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal betichten jij zult betichten hij zal betichten wij zullen betichten jullie zullen betichten zij zullen betichten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal beticht hebben jij zult beticht hebben hij zal beticht hebben wij zullen beticht hebben jullie zullen beticht hebben zij zullen beticht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou betichten jij zou betichten hij zou betichten wij zouden betichten jullie zouden betichten zij zouden betichten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou beticht hebben jij zou beticht hebben hij zou beticht hebben wij zouden beticht hebben jullie zouden beticht hebben zij zouden beticht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beticht
|