NL: betastenSynoniemen: betasten, bevoelen, voelen
DE: befühlen, berühren
EN: feel, grope, touch
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
betast
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik betast jij betast hij betast wij betasten jullie betasten zij betasten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb betast jij hebt betast hij heeft betast wij hebben betast jullie hebben betast zij hebben betast
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik betastte jij betastte hij betastte wij betastten jullie betastten zij betastten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had betast jij had betast hij had betast wij hadden betast jullie hadden betast zij hadden betast
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal betasten jij zult betasten hij zal betasten wij zullen betasten jullie zullen betasten zij zullen betasten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal betast hebben jij zult betast hebben hij zal betast hebben wij zullen betast hebben jullie zullen betast hebben zij zullen betast hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou betasten jij zou betasten hij zou betasten wij zouden betasten jullie zouden betasten zij zouden betasten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou betast hebben jij zou betast hebben hij zou betast hebben wij zouden betast hebben jullie zouden betast hebben zij zouden betast hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
betast
|
DE: betastenSynoniemen: befühlen, berühren
NL: betasten, bevoelen, voelen
EN: feel, grope, touch
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
betastet betastend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich betaste du betastest er betastet wir betasten ihr betastet sie; Sie betasten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe betastet du hast betastet er hat betastet wir haben betastet ihr habt betastet sie; Sie haben betastet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich betastete du betastetest er betastete wir betasteten ihr betastetet sie; Sie betasteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte betastet du hattest betastet er hatte betastet wir hatten betastet ihr hattet betastet sie; Sie hatten betastet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde betasten du wirst betasten er wird betasten wir werden betasten ihr werdet betasten sie; Sie werden betasten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde betastet haben du wirst betastet haben er wird betastet haben wir werden betastet haben ihr werdet betastet haben sie; Sie werden betastet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich betaste du betastest er betaste wir betasten ihr betastet sie; Sie betasten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe betastet du habest betastet er habe betastet wir haben betastet ihr habet betastet sie; Sie haben betastet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich betastete du betastetest er betastete wir betasteten ihr betastetet sie; Sie betasteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte betastet du hättest betastet er hätte betastet wir hätten betastet ihr hättet betastet sie; Sie hätten betastet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde betasten du würdest betasten er würde betasten wir würden betasten ihr würdet betasten sie; Sie würden betasten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde betastet haben du würdest betastet haben er würde betastet haben wir würden betastet haben ihr würdet betastet haben sie; Sie würden betastet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du betaste
|