Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

betasten vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: betasten

NL: betasten
Synoniemen: betasten, bevoelen, voelen

DE: befühlen, berühren
EN: feel, grope, touch

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
betast
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik betast
jij betast
hij betast
wij betasten
jullie betasten
zij betasten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb betast
jij hebt betast
hij heeft betast
wij hebben betast
jullie hebben betast
zij hebben betast
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik betastte
jij betastte
hij betastte
wij betastten
jullie betastten
zij betastten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had betast
jij had betast
hij had betast
wij hadden betast
jullie hadden betast
zij hadden betast
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal betasten
jij zult betasten
hij zal betasten
wij zullen betasten
jullie zullen betasten
zij zullen betasten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal betast hebben
jij zult betast hebben
hij zal betast hebben
wij zullen betast hebben
jullie zullen betast hebben
zij zullen betast hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou betasten
jij zou betasten
hij zou betasten
wij zouden betasten
jullie zouden betasten
zij zouden betasten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou betast hebben
jij zou betast hebben
hij zou betast hebben
wij zouden betast hebben
jullie zouden betast hebben
zij zouden betast hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
betast


DE: betasten
Synoniemen: befühlen, berühren

NL: betasten, bevoelen, voelen
EN: feel, grope, touch
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
betastet
betastend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich betaste
du betastest
er betastet
wir betasten
ihr betastet
sie; Sie betasten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe betastet
du hast betastet
er hat betastet
wir haben betastet
ihr habt betastet
sie; Sie haben betastet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich betastete
du betastetest
er betastete
wir betasteten
ihr betastetet
sie; Sie betasteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte betastet
du hattest betastet
er hatte betastet
wir hatten betastet
ihr hattet betastet
sie; Sie hatten betastet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde betasten
du wirst betasten
er wird betasten
wir werden betasten
ihr werdet betasten
sie; Sie werden betasten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde betastet haben
du wirst betastet haben
er wird betastet haben
wir werden betastet haben
ihr werdet betastet haben
sie; Sie werden betastet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich betaste
du betastest
er betaste
wir betasten
ihr betastet
sie; Sie betasten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe betastet
du habest betastet
er habe betastet
wir haben betastet
ihr habet betastet
sie; Sie haben betastet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich betastete
du betastetest
er betastete
wir betasteten
ihr betastetet
sie; Sie betasteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte betastet
du hättest betastet
er hätte betastet
wir hätten betastet
ihr hättet betastet
sie; Sie hätten betastet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde betasten
du würdest betasten
er würde betasten
wir würden betasten
ihr würdet betasten
sie; Sie würden betasten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde betastet haben
du würdest betastet haben
er würde betastet haben
wir würden betastet haben
ihr würdet betastet haben
sie; Sie würden betastet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du betaste

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/betasten

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English