NL: betamenSynoniemen: behoren, horen, passen, voegen, uitkomen, schikken
DE: passen, schicken, geziemen
EN: become
ES: ajustar, convenir, corresponder, venir bien
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
betaamd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik betaam jij betaamt hij betaamt wij betamen jullie betamen zij betamen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb betaamd jij hebt betaamd hij heeft betaamd wij hebben betaamd jullie hebben betaamd zij hebben betaamd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik betaamde jij betaamde hij betaamde wij betaamden jullie betaamden zij betaamden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had betaamd jij had betaamd hij had betaamd wij hadden betaamd jullie hadden betaamd zij hadden betaamd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal betamen jij zult betamen hij zal betamen wij zullen betamen jullie zullen betamen zij zullen betamen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal betaamd hebben jij zult betaamd hebben hij zal betaamd hebben wij zullen betaamd hebben jullie zullen betaamd hebben zij zullen betaamd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou betamen jij zou betamen hij zou betamen wij zouden betamen jullie zouden betamen zij zouden betamen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou betaamd hebben jij zou betaamd hebben hij zou betaamd hebben wij zouden betaamd hebben jullie zouden betaamd hebben zij zouden betaamd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
betaam
|