NL: bestemmenSynoniemen: aanwijzen, bestemd
DE: bestimmen, determinieren, anordnen
EN: determine, identify
ES: determinar, tomar una decisión, decidir
FR: destiner, déterminer, réserver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bestemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bestem jij bestemt hij bestemt wij bestemmen jullie bestemmen zij bestemmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bestemd jij hebt bestemd hij heeft bestemd wij hebben bestemd jullie hebben bestemd zij hebben bestemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bestemde jij bestemde hij bestemde wij bestemden jullie bestemden zij bestemden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bestemd jij had bestemd hij had bestemd wij hadden bestemd jullie hadden bestemd zij hadden bestemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bestemmen jij zult bestemmen hij zal bestemmen wij zullen bestemmen jullie zullen bestemmen zij zullen bestemmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bestemd hebben jij zult bestemd hebben hij zal bestemd hebben wij zullen bestemd hebben jullie zullen bestemd hebben zij zullen bestemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bestemmen jij zou bestemmen hij zou bestemmen wij zouden bestemmen jullie zouden bestemmen zij zouden bestemmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bestemd hebben jij zou bestemd hebben hij zou bestemd hebben wij zouden bestemd hebben jullie zouden bestemd hebben zij zouden bestemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bestem
|