NL: bespannenDE: aufzäumen, zäumen, anspannen, aufschirren, einspannen, vorspannen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bespannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bespan jij bespant hij bespant wij bespannen jullie bespannen zij bespannen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bespannen jij hebt bespannen hij heeft bespannen wij hebben bespannen jullie hebben bespannen zij hebben bespannen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bespande jij bespande hij bespande wij bespanden jullie bespanden zij bespanden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bespannen jij had bespannen hij had bespannen wij hadden bespannen jullie hadden bespannen zij hadden bespannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bespannen jij zult bespannen hij zal bespannen wij zullen bespannen jullie zullen bespannen zij zullen bespannen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bespannen hebben jij zult bespannen hebben hij zal bespannen hebben wij zullen bespannen hebben jullie zullen bespannen hebben zij zullen bespannen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bespannen jij zou bespannen hij zou bespannen wij zouden bespannen jullie zouden bespannen zij zouden bespannen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bespannen hebben jij zou bespannen hebben hij zou bespannen hebben wij zouden bespannen hebben jullie zouden bespannen hebben zij zouden bespannen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bespan
|
DE: bespannenSynoniemen: aufzäumen, zäumen, anspannen, aufschirren, einspannen, vorspannen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bespannt bespannend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bespanne du bespannst er bespannt wir bespannen ihr bespannt sie; Sie bespannen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bespannt du hast bespannt er hat bespannt wir haben bespannt ihr habt bespannt sie; Sie haben bespannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bespannte du bespanntest er bespannte wir bespannten ihr bespanntet sie; Sie bespannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bespannt du hattest bespannt er hatte bespannt wir hatten bespannt ihr hattet bespannt sie; Sie hatten bespannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bespannen du wirst bespannen er wird bespannen wir werden bespannen ihr werdet bespannen sie; Sie werden bespannen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bespannt haben du wirst bespannt haben er wird bespannt haben wir werden bespannt haben ihr werdet bespannt haben sie; Sie werden bespannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bespanne du bespannest er bespanne wir bespannen ihr bespannet sie; Sie bespannen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bespannt du habest bespannt er habe bespannt wir haben bespannt ihr habet bespannt sie; Sie haben bespannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bespannte du bespanntest er bespannte wir bespannten ihr bespanntet sie; Sie bespannten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bespannt du hättest bespannt er hätte bespannt wir hätten bespannt ihr hättet bespannt sie; Sie hätten bespannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bespannen du würdest bespannen er würde bespannen wir würden bespannen ihr würdet bespannen sie; Sie würden bespannen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bespannt haben du würdest bespannt haben er würde bespannt haben wir würden bespannt haben ihr würdet bespannt haben sie; Sie würden bespannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bespanne
|