NL: besmeurenSynoniemen: beduimelen
EN: besmear, soil, stain
FR: souiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
besmeurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik besmeur jij besmeurt hij besmeurt wij besmeuren jullie besmeuren zij besmeuren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb besmeurd jij hebt besmeurd hij heeft besmeurd wij hebben besmeurd jullie hebben besmeurd zij hebben besmeurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik besmeurde jij besmeurde hij besmeurde wij besmeurden jullie besmeurden zij besmeurden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had besmeurd jij had besmeurd hij had besmeurd wij hadden besmeurd jullie hadden besmeurd zij hadden besmeurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal besmeuren jij zult besmeuren hij zal besmeuren wij zullen besmeuren jullie zullen besmeuren zij zullen besmeuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal besmeurd hebben jij zult besmeurd hebben hij zal besmeurd hebben wij zullen besmeurd hebben jullie zullen besmeurd hebben zij zullen besmeurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou besmeuren jij zou besmeuren hij zou besmeuren wij zouden besmeuren jullie zouden besmeuren zij zouden besmeuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou besmeurd hebben jij zou besmeurd hebben hij zou besmeurd hebben wij zouden besmeurd hebben jullie zouden besmeurd hebben zij zouden besmeurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
besmeur
|