NL: beslapen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
beslapen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beslaap jij beslaapt hij beslaapt wij beslapen jullie beslapen zij beslapen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb beslapen jij hebt beslapen hij heeft beslapen wij hebben beslapen jullie hebben beslapen zij hebben beslapen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik besliep jij besliep hij besliep wij besliepen jullie besliepen zij besliepen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had beslapen jij had beslapen hij had beslapen wij hadden beslapen jullie hadden beslapen zij hadden beslapen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal beslapen jij zult beslapen hij zal beslapen wij zullen beslapen jullie zullen beslapen zij zullen beslapen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal beslapen hebben jij zult beslapen hebben hij zal beslapen hebben wij zullen beslapen hebben jullie zullen beslapen hebben zij zullen beslapen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou beslapen jij zou beslapen hij zou beslapen wij zouden beslapen jullie zouden beslapen zij zouden beslapen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou beslapen hebben jij zou beslapen hebben hij zou beslapen hebben wij zouden beslapen hebben jullie zouden beslapen hebben zij zouden beslapen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beslaap
|