NL: beschamenSynoniemen: teleurstellen
DE: beschamen (vertrouwen schenden): enttäuschen, beschämen, Vertrauen mißbrauchen
EN: beschamen (vertrouwen schenden): embarras, disappoint, confound, betray
FR: beschamen (vertrouwen schenden): trahir la confiance, tromper, décevoir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
beschaamd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beschaam jij beschaamt hij beschaamt wij beschamen jullie beschamen zij beschamen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb beschaamd jij hebt beschaamd hij heeft beschaamd wij hebben beschaamd jullie hebben beschaamd zij hebben beschaamd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beschaamde jij beschaamde hij beschaamde wij beschaamden jullie beschaamden zij beschaamden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had beschaamd jij had beschaamd hij had beschaamd wij hadden beschaamd jullie hadden beschaamd zij hadden beschaamd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal beschamen jij zult beschamen hij zal beschamen wij zullen beschamen jullie zullen beschamen zij zullen beschamen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal beschaamd hebben jij zult beschaamd hebben hij zal beschaamd hebben wij zullen beschaamd hebben jullie zullen beschaamd hebben zij zullen beschaamd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou beschamen jij zou beschamen hij zou beschamen wij zouden beschamen jullie zouden beschamen zij zouden beschamen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou beschaamd hebben jij zou beschaamd hebben hij zou beschaamd hebben wij zouden beschaamd hebben jullie zouden beschaamd hebben zij zouden beschaamd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beschaam
|