NL: bergenSynoniemen: bergen, in veiligheid brengen
DE: retten, in Sicherheit bringen, wegräumen, retten
EN: salvage, put in safety
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geborgen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik berg jij bergt hij bergt wij bergen jullie bergen zij bergen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geborgen jij hebt geborgen hij heeft geborgen wij hebben geborgen jullie hebben geborgen zij hebben geborgen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik borg jij borg hij borg wij borgen jullie borgen zij borgen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geborgen jij had geborgen hij had geborgen wij hadden geborgen jullie hadden geborgen zij hadden geborgen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bergen jij zult bergen hij zal bergen wij zullen bergen jullie zullen bergen zij zullen bergen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geborgen hebben jij zult geborgen hebben hij zal geborgen hebben wij zullen geborgen hebben jullie zullen geborgen hebben zij zullen geborgen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bergen jij zou bergen hij zou bergen wij zouden bergen jullie zouden bergen zij zouden bergen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geborgen hebben jij zou geborgen hebben hij zou geborgen hebben wij zouden geborgen hebben jullie zouden geborgen hebben zij zouden geborgen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
berg
|
DE: bergenSynoniemen: retten, in Sicherheit bringen, wegräumen, retten
NL: bergen, in veiligheid brengen
EN: salvage, put in safety
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
borgen bergend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich berge du birgst er birgt wir bergen ihr bergt sie; Sie bergen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe borgen du hast borgen er hat borgen wir haben borgen ihr habt borgen sie; Sie haben borgen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich barg du bargest er barg wir bargen ihr barget sie; Sie bargen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte borgen du hattest borgen er hatte borgen wir hatten borgen ihr hattet borgen sie; Sie hatten borgen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bergen du wirst bergen er wird bergen wir werden bergen ihr werdet bergen sie; Sie werden bergen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde borgen haben du wirst borgen haben er wird borgen haben wir werden borgen haben ihr werdet borgen haben sie; Sie werden borgen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich berge du bergest er berge wir bergen ihr berget sie; Sie bergen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe borgen du habest borgen er habe borgen wir haben borgen ihr habet borgen sie; Sie haben borgen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bärge du bärgest er bärge wir bärgen ihr bärget sie; Sie bärgen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte borgen du hättest borgen er hätte borgen wir hätten borgen ihr hättet borgen sie; Sie hätten borgen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bergen du würdest bergen er würde bergen wir würden bergen ihr würdet bergen sie; Sie würden bergen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde borgen haben du würdest borgen haben er würde borgen haben wir würden borgen haben ihr würdet borgen haben sie; Sie würden borgen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du birg
|