NL: bergbeklimmen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bergbeklommen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bergbeklim jij bergbeklimt hij bergbeklimt wij bergbeklimmen jullie bergbeklimmen zij bergbeklimmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bergbeklommen jij hebt bergbeklommen hij heeft bergbeklommen wij hebben bergbeklommen jullie hebben bergbeklommen zij hebben bergbeklommen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bergbeklom jij bergbeklom hij bergbeklom wij bergbeklommen jullie bergbeklommen zij bergbeklommen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bergbeklommen jij had bergbeklommen hij had bergbeklommen wij hadden bergbeklommen jullie hadden bergbeklommen zij hadden bergbeklommen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bergbeklimmen jij zult bergbeklimmen hij zal bergbeklimmen wij zullen bergbeklimmen jullie zullen bergbeklimmen zij zullen bergbeklimmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bergbeklommen hebben jij zult bergbeklommen hebben hij zal bergbeklommen hebben wij zullen bergbeklommen hebben jullie zullen bergbeklommen hebben zij zullen bergbeklommen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bergbeklimmen jij zou bergbeklimmen hij zou bergbeklimmen wij zouden bergbeklimmen jullie zouden bergbeklimmen zij zouden bergbeklimmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bergbeklommen hebben jij zou bergbeklommen hebben hij zou bergbeklommen hebben wij zouden bergbeklommen hebben jullie zouden bergbeklommen hebben zij zouden bergbeklommen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bergbeklim
|