NL: bepratenSynoniemen: bespreken, inpalmen, doorspreken, doorpraten, bediscussiëren
DE: bepraten (bespreken): besprechen, durchsprechen, diskutieren, bereden, beraten, durchnehmen, debattieren, ansprechen, erörtern, beanstanden, durchdiskutieren, beurteilen
EN: bepraten (bespreken): discuss, review, speak about, talk it over, comment, talk about
FR: bepraten (bespreken): parler de, discuter, débattre, causer de, convaincre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bepraat
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bepraat jij bepraat hij bepraat wij bepraten jullie bepraten zij bepraten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bepraat jij hebt bepraat hij heeft bepraat wij hebben bepraat jullie hebben bepraat zij hebben bepraat
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bepraatte jij bepraatte hij bepraatte wij bepraatten jullie bepraatten zij bepraatten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bepraat jij had bepraat hij had bepraat wij hadden bepraat jullie hadden bepraat zij hadden bepraat
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bepraten jij zult bepraten hij zal bepraten wij zullen bepraten jullie zullen bepraten zij zullen bepraten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bepraat hebben jij zult bepraat hebben hij zal bepraat hebben wij zullen bepraat hebben jullie zullen bepraat hebben zij zullen bepraat hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bepraten jij zou bepraten hij zou bepraten wij zouden bepraten jullie zouden bepraten zij zouden bepraten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bepraat hebben jij zou bepraat hebben hij zou bepraat hebben wij zouden bepraat hebben jullie zouden bepraat hebben zij zouden bepraat hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bepraat
|