NL: benuttenSynoniemen: aangrijpen, aanwenden, gebruiken, toepassen, utiliseren
DE: benutzen, gebrauchen, verwenden, anwenden, hantieren, einsetzen, handhaben
EN: apply, implement, utilize, use, make use of, employ, engage, practise, enforce, adopt
ES: utilizar, poner, hacer uso de, aplicar, tomar en uso, jugarse, invertir, apostar, insertar, administrar
FR: utiliser, employer, engager, faire usage de, appliquer, prendre en service, consacrer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
benut
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik benut jij benut hij benut wij benutten jullie benutten zij benutten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb benut jij hebt benut hij heeft benut wij hebben benut jullie hebben benut zij hebben benut
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik benutte jij benutte hij benutte wij benutten jullie benutten zij benutten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had benut jij had benut hij had benut wij hadden benut jullie hadden benut zij hadden benut
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal benutten jij zult benutten hij zal benutten wij zullen benutten jullie zullen benutten zij zullen benutten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal benut hebben jij zult benut hebben hij zal benut hebben wij zullen benut hebben jullie zullen benut hebben zij zullen benut hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou benutten jij zou benutten hij zou benutten wij zouden benutten jullie zouden benutten zij zouden benutten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou benut hebben jij zou benut hebben hij zou benut hebben wij zouden benut hebben jullie zouden benut hebben zij zouden benut hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
benut
|