NL: bemannen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bemand
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beman jij bemant hij bemant wij bemannen jullie bemannen zij bemannen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bemand jij hebt bemand hij heeft bemand wij hebben bemand jullie hebben bemand zij hebben bemand
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bemande jij bemande hij bemande wij bemanden jullie bemanden zij bemanden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bemand jij had bemand hij had bemand wij hadden bemand jullie hadden bemand zij hadden bemand
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bemannen jij zult bemannen hij zal bemannen wij zullen bemannen jullie zullen bemannen zij zullen bemannen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bemand hebben jij zult bemand hebben hij zal bemand hebben wij zullen bemand hebben jullie zullen bemand hebben zij zullen bemand hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bemannen jij zou bemannen hij zou bemannen wij zouden bemannen jullie zouden bemannen zij zouden bemannen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bemand hebben jij zou bemand hebben hij zou bemand hebben wij zouden bemand hebben jullie zouden bemand hebben zij zouden bemand hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beman
|
DE: bemannen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bemannt bemannend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bemanne du bemannst er bemannt wir bemannen ihr bemannt sie; Sie bemannen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bemannt du hast bemannt er hat bemannt wir haben bemannt ihr habt bemannt sie; Sie haben bemannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bemannte du bemanntest er bemannte wir bemannten ihr bemanntet sie; Sie bemannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bemannt du hattest bemannt er hatte bemannt wir hatten bemannt ihr hattet bemannt sie; Sie hatten bemannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bemannen du wirst bemannen er wird bemannen wir werden bemannen ihr werdet bemannen sie; Sie werden bemannen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bemannt haben du wirst bemannt haben er wird bemannt haben wir werden bemannt haben ihr werdet bemannt haben sie; Sie werden bemannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bemanne du bemannest er bemanne wir bemannen ihr bemannet sie; Sie bemannen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bemannt du habest bemannt er habe bemannt wir haben bemannt ihr habet bemannt sie; Sie haben bemannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bemannte du bemanntest er bemannte wir bemannten ihr bemanntet sie; Sie bemannten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bemannt du hättest bemannt er hätte bemannt wir hätten bemannt ihr hättet bemannt sie; Sie hätten bemannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bemannen du würdest bemannen er würde bemannen wir würden bemannen ihr würdet bemannen sie; Sie würden bemannen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bemannt haben du würdest bemannt haben er würde bemannt haben wir würden bemannt haben ihr würdet bemannt haben sie; Sie würden bemannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bemanne
|