NL: belovenSynoniemen: doen verwachten, toezeggen
DE: versprechen, zusagen
EN: promise, vow, bid fair, offer
ES: prometer, ofrecer
FR: promettre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
beloofd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beloof jij belooft hij belooft wij beloven jullie beloven zij beloven
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb beloofd jij hebt beloofd hij heeft beloofd wij hebben beloofd jullie hebben beloofd zij hebben beloofd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beloofde jij beloofde hij beloofde wij beloofden jullie beloofden zij beloofden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had beloofd jij had beloofd hij had beloofd wij hadden beloofd jullie hadden beloofd zij hadden beloofd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal beloven jij zult beloven hij zal beloven wij zullen beloven jullie zullen beloven zij zullen beloven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal beloofd hebben jij zult beloofd hebben hij zal beloofd hebben wij zullen beloofd hebben jullie zullen beloofd hebben zij zullen beloofd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou beloven jij zou beloven hij zou beloven wij zouden beloven jullie zouden beloven zij zouden beloven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou beloofd hebben jij zou beloofd hebben hij zou beloofd hebben wij zouden beloofd hebben jullie zouden beloofd hebben zij zouden beloofd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beloof
|