Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: bellen
Synoniemen: brüllen, muhen, blöken, grunzen, knurren, meckern, mähen, wiehern

NL: blaffen, keffen
EN: bark, squeal


NL: bellen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gebeld

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik bel
jij belt
hij belt
wij bellen
jullie bellen
zij bellen

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
dat ik bel
dat jij belt
dat hij belt
dat wij bellen
dat jullie bellen
dat zij bellen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gebeld
jij hebt gebeld
hij heeft gebeld
wij hebben gebeld
jullie hebben gebeld
zij hebben gebeld

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik belde
jij belde
hij belde
wij belden
jullie belden
zij belden

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
dat ik belde
dat jij belde
dat hij belde
dat wij belden
dat jullie belden
dat zij belden

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gebeld
jij had gebeld
hij had gebeld
wij hadden gebeld
jullie hadden gebeld
zij hadden gebeld

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal bellen
jij zult bellen
hij zal bellen
wij zullen bellen
jullie zullen bellen
zij zullen bellen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gebeld hebben
jij zult gebeld hebben
hij zal gebeld hebben
wij zullen gebeld hebben
jullie zullen gebeld hebben
zij zullen gebeld hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou bellen
jij zou bellen
hij zou bellen
wij zouden bellen
jullie zouden bellen
zij zouden bellen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gebeld hebben
jij zou gebeld hebben
hij zou gebeld hebben
wij zouden gebeld hebben
jullie zouden gebeld hebben
zij zouden gebeld hebben

Gebiedende wijs
bel



DE: bellen
Partizip Perfekt & Präsens
gebellt
bellend

Indikativ Präsens
ich belle
du bellst
er bellt
wir bellen
ihr bellt
sie; Sie bellen

Indikativ Perfekt
ich habe gebellt
du hast gebellt
er hat gebellt
wir haben gebellt
ihr habt gebellt
sie; Sie haben gebellt

Indikativ Präteritum
ich bellte
du belltest
er bellte
wir bellten
ihr belltet
sie; Sie bellten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gebellt
du hattest gebellt
er hatte gebellt
wir hatten gebellt
ihr hattet gebellt
sie; Sie hatten gebellt

Indikativ Futur I
ich werde bellen
du wirst bellen
er wird bellen
wir werden bellen
ihr werdet bellen
sie; Sie werden bellen

Indikativ Futur II
ich werde gebellt haben
du wirst gebellt haben
er wird gebellt haben
wir werden gebellt haben
ihr werdet gebellt haben
sie; Sie werden gebellt haben

Konjunktiv I Präsens
ich belle
du bellest
er belle
wir bellen
ihr bellet
sie; Sie bellen

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gebellt
du habest gebellt
er habe gebellt
wir haben gebellt
ihr habet gebellt
sie; Sie haben gebellt

Konjunktiv II Präsens
ich bellte
du belltest
er bellte
wir bellten
ihr belltet
sie; Sie bellten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gebellt
du hättest gebellt
er hätte gebellt
wir hätten gebellt
ihr hättet gebellt
sie; Sie hätten gebellt

Konjunktiv II Futur I
ich würde bellen
du würdest bellen
er würde bellen
wir würden bellen
ihr würdet bellen
sie; Sie würden bellen

Konjunktiv II Futur II
ich würde gebellt haben
du würdest gebellt haben
er würde gebellt haben
wir würden gebellt haben
ihr würdet gebellt haben
sie; Sie würden gebellt haben

der Imperativ
du belle


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden