NL: bellenSynoniemen: blaffen, keffen
DE: brüllen, muhen, blöken, grunzen, knurren, meckern, mähen, wiehern
EN: bark, squeal
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bel jij belt hij belt wij bellen jullie bellen zij bellen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebeld jij hebt gebeld hij heeft gebeld wij hebben gebeld jullie hebben gebeld zij hebben gebeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik belde jij belde hij belde wij belden jullie belden zij belden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebeld jij had gebeld hij had gebeld wij hadden gebeld jullie hadden gebeld zij hadden gebeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bellen jij zult bellen hij zal bellen wij zullen bellen jullie zullen bellen zij zullen bellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebeld hebben jij zult gebeld hebben hij zal gebeld hebben wij zullen gebeld hebben jullie zullen gebeld hebben zij zullen gebeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bellen jij zou bellen hij zou bellen wij zouden bellen jullie zouden bellen zij zouden bellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebeld hebben jij zou gebeld hebben hij zou gebeld hebben wij zouden gebeld hebben jullie zouden gebeld hebben zij zouden gebeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bel
|
DE: bellenSynoniemen: brüllen, muhen, blöken, grunzen, knurren, meckern, mähen, wiehern
NL: blaffen, keffen
EN: bark, squeal
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gebellt bellend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich belle du bellst er bellt wir bellen ihr bellt sie; Sie bellen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gebellt du hast gebellt er hat gebellt wir haben gebellt ihr habt gebellt sie; Sie haben gebellt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bellte du belltest er bellte wir bellten ihr belltet sie; Sie bellten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gebellt du hattest gebellt er hatte gebellt wir hatten gebellt ihr hattet gebellt sie; Sie hatten gebellt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bellen du wirst bellen er wird bellen wir werden bellen ihr werdet bellen sie; Sie werden bellen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gebellt haben du wirst gebellt haben er wird gebellt haben wir werden gebellt haben ihr werdet gebellt haben sie; Sie werden gebellt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich belle du bellest er belle wir bellen ihr bellet sie; Sie bellen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gebellt du habest gebellt er habe gebellt wir haben gebellt ihr habet gebellt sie; Sie haben gebellt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bellte du belltest er bellte wir bellten ihr belltet sie; Sie bellten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gebellt du hättest gebellt er hätte gebellt wir hätten gebellt ihr hättet gebellt sie; Sie hätten gebellt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bellen du würdest bellen er würde bellen wir würden bellen ihr würdet bellen sie; Sie würden bellen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gebellt haben du würdest gebellt haben er würde gebellt haben wir würden gebellt haben ihr würdet gebellt haben sie; Sie würden gebellt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du belle
|