NL: belichtenSynoniemen: belichten (beleuchten): verlichten, beschijnen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
belicht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik belicht jij belicht hij belicht wij belichten jullie belichten zij belichten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb belicht jij hebt belicht hij heeft belicht wij hebben belicht jullie hebben belicht zij hebben belicht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik belichtte jij belichtte hij belichtte wij belichtten jullie belichtten zij belichtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had belicht jij had belicht hij had belicht wij hadden belicht jullie hadden belicht zij hadden belicht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal belichten jij zult belichten hij zal belichten wij zullen belichten jullie zullen belichten zij zullen belichten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal belicht hebben jij zult belicht hebben hij zal belicht hebben wij zullen belicht hebben jullie zullen belicht hebben zij zullen belicht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou belichten jij zou belichten hij zou belichten wij zouden belichten jullie zouden belichten zij zouden belichten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou belicht hebben jij zou belicht hebben hij zou belicht hebben wij zouden belicht hebben jullie zouden belicht hebben zij zouden belicht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
belicht
|
DE: belichtenNL: belichten (beleuchten): verlichten, beschijnen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
belichtet belichtend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich belichte du belichtest er belichtet wir belichten ihr belichtet sie; Sie belichten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe belichtet du hast belichtet er hat belichtet wir haben belichtet ihr habt belichtet sie; Sie haben belichtet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich belichtete du belichtetest er belichtete wir belichteten ihr belichtetet sie; Sie belichteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte belichtet du hattest belichtet er hatte belichtet wir hatten belichtet ihr hattet belichtet sie; Sie hatten belichtet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde belichten du wirst belichten er wird belichten wir werden belichten ihr werdet belichten sie; Sie werden belichten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde belichtet haben du wirst belichtet haben er wird belichtet haben wir werden belichtet haben ihr werdet belichtet haben sie; Sie werden belichtet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich belichte du belichtest er belichte wir belichten ihr belichtet sie; Sie belichten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe belichtet du habest belichtet er habe belichtet wir haben belichtet ihr habet belichtet sie; Sie haben belichtet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich belichtete du belichtetest er belichtete wir belichteten ihr belichtetet sie; Sie belichteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte belichtet du hättest belichtet er hätte belichtet wir hätten belichtet ihr hättet belichtet sie; Sie hätten belichtet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde belichten du würdest belichten er würde belichten wir würden belichten ihr würdet belichten sie; Sie würden belichten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde belichtet haben du würdest belichtet haben er würde belichtet haben wir würden belichtet haben ihr würdet belichtet haben sie; Sie würden belichtet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du belichte
|