Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

belichten vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: belichten

NL: belichten
Synoniemen: belichten (beleuchten): verlichten, beschijnen

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
belicht
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik belicht
jij belicht
hij belicht
wij belichten
jullie belichten
zij belichten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb belicht
jij hebt belicht
hij heeft belicht
wij hebben belicht
jullie hebben belicht
zij hebben belicht
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik belichtte
jij belichtte
hij belichtte
wij belichtten
jullie belichtten
zij belichtten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had belicht
jij had belicht
hij had belicht
wij hadden belicht
jullie hadden belicht
zij hadden belicht
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal belichten
jij zult belichten
hij zal belichten
wij zullen belichten
jullie zullen belichten
zij zullen belichten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal belicht hebben
jij zult belicht hebben
hij zal belicht hebben
wij zullen belicht hebben
jullie zullen belicht hebben
zij zullen belicht hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou belichten
jij zou belichten
hij zou belichten
wij zouden belichten
jullie zouden belichten
zij zouden belichten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou belicht hebben
jij zou belicht hebben
hij zou belicht hebben
wij zouden belicht hebben
jullie zouden belicht hebben
zij zouden belicht hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
belicht


DE: belichten
NL: belichten (beleuchten): verlichten, beschijnen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
belichtet
belichtend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich belichte
du belichtest
er belichtet
wir belichten
ihr belichtet
sie; Sie belichten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe belichtet
du hast belichtet
er hat belichtet
wir haben belichtet
ihr habt belichtet
sie; Sie haben belichtet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich belichtete
du belichtetest
er belichtete
wir belichteten
ihr belichtetet
sie; Sie belichteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte belichtet
du hattest belichtet
er hatte belichtet
wir hatten belichtet
ihr hattet belichtet
sie; Sie hatten belichtet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde belichten
du wirst belichten
er wird belichten
wir werden belichten
ihr werdet belichten
sie; Sie werden belichten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde belichtet haben
du wirst belichtet haben
er wird belichtet haben
wir werden belichtet haben
ihr werdet belichtet haben
sie; Sie werden belichtet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich belichte
du belichtest
er belichte
wir belichten
ihr belichtet
sie; Sie belichten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe belichtet
du habest belichtet
er habe belichtet
wir haben belichtet
ihr habet belichtet
sie; Sie haben belichtet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich belichtete
du belichtetest
er belichtete
wir belichteten
ihr belichtetet
sie; Sie belichteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte belichtet
du hättest belichtet
er hätte belichtet
wir hätten belichtet
ihr hättet belichtet
sie; Sie hätten belichtet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde belichten
du würdest belichten
er würde belichten
wir würden belichten
ihr würdet belichten
sie; Sie würden belichten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde belichtet haben
du würdest belichtet haben
er würde belichtet haben
wir würden belichtet haben
ihr würdet belichtet haben
sie; Sie würden belichtet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du belichte

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/belichten

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English