NL: belemmerenSynoniemen: afremmen, beletten, verhinderen, beperken,
DE: verhindern, beeinträchtigen, stören, belästigen, unterbrechen, entgegenwirken, entgegentreten, vereiteln
EN: impede
ES: impedir, obstaculizar
FR: empêcher, bloquer, gêner, déranger, embarrasser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
belemmerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik belemmer jij belemmert hij belemmert wij belemmeren jullie belemmeren zij belemmeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb belemmerd jij hebt belemmerd hij heeft belemmerd wij hebben belemmerd jullie hebben belemmerd zij hebben belemmerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik belemmerde jij belemmerde hij belemmerde wij belemmerden jullie belemmerden zij belemmerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had belemmerd jij had belemmerd hij had belemmerd wij hadden belemmerd jullie hadden belemmerd zij hadden belemmerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal belemmeren jij zult belemmeren hij zal belemmeren wij zullen belemmeren jullie zullen belemmeren zij zullen belemmeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal belemmerd hebben jij zult belemmerd hebben hij zal belemmerd hebben wij zullen belemmerd hebben jullie zullen belemmerd hebben zij zullen belemmerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou belemmeren jij zou belemmeren hij zou belemmeren wij zouden belemmeren jullie zouden belemmeren zij zouden belemmeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou belemmerd hebben jij zou belemmerd hebben hij zou belemmerd hebben wij zouden belemmerd hebben jullie zouden belemmerd hebben zij zouden belemmerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
belemmer
|