NL: belegerenSynoniemen: bestormen, insluiten
DE: belagern
EN: attack, besiege, assault, raid, storm
ES: asaltar, agredir, asediar, atacar
FR: assaillir, assiéger, attaquer, agresser, se précipiter, s'élancer, se ruer, prendre d'assaut, se ruer sur, donner l'assaut à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
belegerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beleger jij belegert hij belegert wij belegeren jullie belegeren zij belegeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb belegerd jij hebt belegerd hij heeft belegerd wij hebben belegerd jullie hebben belegerd zij hebben belegerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik belegerde jij belegerde hij belegerde wij belegerden jullie belegerden zij belegerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had belegerd jij had belegerd hij had belegerd wij hadden belegerd jullie hadden belegerd zij hadden belegerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal belegeren jij zult belegeren hij zal belegeren wij zullen belegeren jullie zullen belegeren zij zullen belegeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal belegerd hebben jij zult belegerd hebben hij zal belegerd hebben wij zullen belegerd hebben jullie zullen belegerd hebben zij zullen belegerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou belegeren jij zou belegeren hij zou belegeren wij zouden belegeren jullie zouden belegeren zij zouden belegeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou belegerd hebben jij zou belegerd hebben hij zou belegerd hebben wij zouden belegerd hebben jullie zouden belegerd hebben zij zouden belegerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beleger
|