NL: bekvechtenSynoniemen: bakkeleien, twisten, ruzieën, hakketakken
DE: sich streiten, sich sanken
EN: argue, quarrel, wrangle, twist, debate, altercate, dispute
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebekvecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bekvecht jij bekvecht hij bekvecht wij bekvechten jullie bekvechten zij bekvechten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebekvecht jij hebt gebekvecht hij heeft gebekvecht wij hebben gebekvecht jullie hebben gebekvecht zij hebben gebekvecht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bekvechtte jij bekvechtte hij bekvechtte wij bekvechtten jullie bekvechtten zij bekvechtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebekvecht jij had gebekvecht hij had gebekvecht wij hadden gebekvecht jullie hadden gebekvecht zij hadden gebekvecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bekvechten jij zult bekvechten hij zal bekvechten wij zullen bekvechten jullie zullen bekvechten zij zullen bekvechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebekvecht hebben jij zult gebekvecht hebben hij zal gebekvecht hebben wij zullen gebekvecht hebben jullie zullen gebekvecht hebben zij zullen gebekvecht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bekvechten jij zou bekvechten hij zou bekvechten wij zouden bekvechten jullie zouden bekvechten zij zouden bekvechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebekvecht hebben jij zou gebekvecht hebben hij zou gebekvecht hebben wij zouden gebekvecht hebben jullie zouden gebekvecht hebben zij zouden gebekvecht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bekvecht
|