NL: bekortenSynoniemen: fnuiken, verkorten, inkorten
DE: kürzen, verkürzen, verkleinern, einkürzen, kürzer machen
EN: abridge, shorten, cut down, cut short
ES: acortar, abreviar
FR: raccourcir, écourter, diminuer, réduire, abréger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bekort
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bekort jij bekort hij bekort wij bekorten jullie bekorten zij bekorten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bekort jij hebt bekort hij heeft bekort wij hebben bekort jullie hebben bekort zij hebben bekort
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bekortte jij bekortte hij bekortte wij bekortten jullie bekortten zij bekortten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bekort jij had bekort hij had bekort wij hadden bekort jullie hadden bekort zij hadden bekort
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bekorten jij zult bekorten hij zal bekorten wij zullen bekorten jullie zullen bekorten zij zullen bekorten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bekort hebben jij zult bekort hebben hij zal bekort hebben wij zullen bekort hebben jullie zullen bekort hebben zij zullen bekort hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bekorten jij zou bekorten hij zou bekorten wij zouden bekorten jullie zouden bekorten zij zouden bekorten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bekort hebben jij zou bekort hebben hij zou bekort hebben wij zouden bekort hebben jullie zouden bekort hebben zij zouden bekort hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bekort
|