NL: bekorenSynoniemen: aanlokken, bevallen, lokken, aantrekken, charmeren
DE: betören, entzücken, reizen, bezaubern, verführen, bestechen, verzaubern, verlocken, anlocken, verleiten, bestricken
EN: fascinate, charm, delight, enchant, allure
ES: gustar, encantar, fascinar
FR: plaire, attirer, séduire, enjôler, enchanter, envoûter, charmer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bekoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bekoor jij bekoort hij bekoort wij bekoren jullie bekoren zij bekoren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bekoord jij hebt bekoord hij heeft bekoord wij hebben bekoord jullie hebben bekoord zij hebben bekoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bekoorde jij bekoorde hij bekoorde wij bekoorden jullie bekoorden zij bekoorden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bekoord jij had bekoord hij had bekoord wij hadden bekoord jullie hadden bekoord zij hadden bekoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bekoren jij zult bekoren hij zal bekoren wij zullen bekoren jullie zullen bekoren zij zullen bekoren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bekoord hebben jij zult bekoord hebben hij zal bekoord hebben wij zullen bekoord hebben jullie zullen bekoord hebben zij zullen bekoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bekoren jij zou bekoren hij zou bekoren wij zouden bekoren jullie zouden bekoren zij zouden bekoren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bekoord hebben jij zou bekoord hebben hij zou bekoord hebben wij zouden bekoord hebben jullie zouden bekoord hebben zij zouden bekoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bekoor
|