Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

beklemmen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: beklemmen

NL: beklemmen
Synoniemen: beklemmen (bedrängen): benauwen, beklemmen

EN: beklemmen (bedrängen): truss up, oppress, gag

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
beklemd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik beklem
jij beklemt
hij beklemt
wij beklemmen
jullie beklemmen
zij beklemmen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb beklemd
jij hebt beklemd
hij heeft beklemd
wij hebben beklemd
jullie hebben beklemd
zij hebben beklemd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik beklemde
jij beklemde
hij beklemde
wij beklemden
jullie beklemden
zij beklemden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had beklemd
jij had beklemd
hij had beklemd
wij hadden beklemd
jullie hadden beklemd
zij hadden beklemd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal beklemmen
jij zult beklemmen
hij zal beklemmen
wij zullen beklemmen
jullie zullen beklemmen
zij zullen beklemmen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal beklemd hebben
jij zult beklemd hebben
hij zal beklemd hebben
wij zullen beklemd hebben
jullie zullen beklemd hebben
zij zullen beklemd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou beklemmen
jij zou beklemmen
hij zou beklemmen
wij zouden beklemmen
jullie zouden beklemmen
zij zouden beklemmen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou beklemd hebben
jij zou beklemd hebben
hij zou beklemd hebben
wij zouden beklemd hebben
jullie zouden beklemd hebben
zij zouden beklemd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
beklem


DE: beklemmen
NL: beklemmen (bedrängen): benauwen, beklemmen
EN: beklemmen (bedrängen): truss up, oppress, gag
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
beklemmt
beklemmend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich beklemme
du beklemmst
er beklemmt
wir beklemmen
ihr beklemmt
sie; Sie beklemmen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe beklemmt
du hast beklemmt
er hat beklemmt
wir haben beklemmt
ihr habt beklemmt
sie; Sie haben beklemmt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich beklemmte
du beklemmtest
er beklemmte
wir beklemmten
ihr beklemmtet
sie; Sie beklemmten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte beklemmt
du hattest beklemmt
er hatte beklemmt
wir hatten beklemmt
ihr hattet beklemmt
sie; Sie hatten beklemmt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde beklemmen
du wirst beklemmen
er wird beklemmen
wir werden beklemmen
ihr werdet beklemmen
sie; Sie werden beklemmen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde beklemmt sein
du wirst beklemmt haben
er wird beklemmt haben
wir werden beklemmt haben
ihr werdet beklemmt haben
sie; Sie werden beklemmt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich beklemme
du beklemmest
er beklemme
wir beklemmen
ihr beklemmet
sie; Sie beklemmen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich sei beklemmt
du habest beklemmt
er habe beklemmt
wir haben beklemmt
ihr habet beklemmt
sie; Sie haben beklemmt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich beklemmte
du beklemmtest
er beklemmte
wir beklemmten
ihr beklemmtet
sie; Sie beklemmten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte beklemmt
du hättest beklemmt
er hätte beklemmt
wir hätten beklemmt
ihr hättet beklemmt
sie; Sie hätten beklemmt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde beklemmen
du würdest beklemmen
er würde beklemmen
wir würden beklemmen
ihr würdet beklemmen
sie; Sie würden beklemmen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde beklemmt sein
du würdest beklemmt haben
er würde beklemmt haben
wir würden beklemmt haben
ihr würdet beklemmt haben
sie; Sie würden beklemmt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du beklemme

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/beklemmen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English