NL: beklemmenSynoniemen: beklemmen (bedrängen): benauwen, beklemmen
EN: beklemmen (bedrängen): truss up, oppress, gag
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
beklemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beklem jij beklemt hij beklemt wij beklemmen jullie beklemmen zij beklemmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb beklemd jij hebt beklemd hij heeft beklemd wij hebben beklemd jullie hebben beklemd zij hebben beklemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beklemde jij beklemde hij beklemde wij beklemden jullie beklemden zij beklemden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had beklemd jij had beklemd hij had beklemd wij hadden beklemd jullie hadden beklemd zij hadden beklemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal beklemmen jij zult beklemmen hij zal beklemmen wij zullen beklemmen jullie zullen beklemmen zij zullen beklemmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal beklemd hebben jij zult beklemd hebben hij zal beklemd hebben wij zullen beklemd hebben jullie zullen beklemd hebben zij zullen beklemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou beklemmen jij zou beklemmen hij zou beklemmen wij zouden beklemmen jullie zouden beklemmen zij zouden beklemmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou beklemd hebben jij zou beklemd hebben hij zou beklemd hebben wij zouden beklemd hebben jullie zouden beklemd hebben zij zouden beklemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beklem
|
DE: beklemmenNL: beklemmen (bedrängen): benauwen, beklemmen
EN: beklemmen (bedrängen): truss up, oppress, gag
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
beklemmt beklemmend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich beklemme du beklemmst er beklemmt wir beklemmen ihr beklemmt sie; Sie beklemmen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe beklemmt du hast beklemmt er hat beklemmt wir haben beklemmt ihr habt beklemmt sie; Sie haben beklemmt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich beklemmte du beklemmtest er beklemmte wir beklemmten ihr beklemmtet sie; Sie beklemmten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte beklemmt du hattest beklemmt er hatte beklemmt wir hatten beklemmt ihr hattet beklemmt sie; Sie hatten beklemmt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde beklemmen du wirst beklemmen er wird beklemmen wir werden beklemmen ihr werdet beklemmen sie; Sie werden beklemmen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde beklemmt sein du wirst beklemmt haben er wird beklemmt haben wir werden beklemmt haben ihr werdet beklemmt haben sie; Sie werden beklemmt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich beklemme du beklemmest er beklemme wir beklemmen ihr beklemmet sie; Sie beklemmen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei beklemmt du habest beklemmt er habe beklemmt wir haben beklemmt ihr habet beklemmt sie; Sie haben beklemmt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich beklemmte du beklemmtest er beklemmte wir beklemmten ihr beklemmtet sie; Sie beklemmten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte beklemmt du hättest beklemmt er hätte beklemmt wir hätten beklemmt ihr hättet beklemmt sie; Sie hätten beklemmt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde beklemmen du würdest beklemmen er würde beklemmen wir würden beklemmen ihr würdet beklemmen sie; Sie würden beklemmen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde beklemmt sein du würdest beklemmt haben er würde beklemmt haben wir würden beklemmt haben ihr würdet beklemmt haben sie; Sie würden beklemmt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du beklemme
|