NL: bekledenSynoniemen: bedekken, beschieten, bezetten, aantrekken, overtrekken, stofferen
DE: bekleden (bedekken): beziehen, bedecken, bekleiden, verkleiden, versehen, verdecken
EN: bekleden (bedekken): cover, cover up
ES: bekleden (bedekken): cubrir, recubrir, tapar, calcar, revestir, tapizar, forrar, cumplir con
FR: bekleden (bedekken): couvrir, remplir, tapisser, recouvrir, se couvrir, occuper, exercer, revêtir, décalquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bekleed
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bekleed jij bekleedt hij bekleedt wij bekleden jullie bekleden zij bekleden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bekleed jij hebt bekleed hij heeft bekleed wij hebben bekleed jullie hebben bekleed zij hebben bekleed
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bekleedde jij bekleedde hij bekleedde wij bekleedden jullie bekleedden zij bekleedden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bekleed jij had bekleed hij had bekleed wij hadden bekleed jullie hadden bekleed zij hadden bekleed
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bekleden jij zult bekleden hij zal bekleden wij zullen bekleden jullie zullen bekleden zij zullen bekleden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bekleed hebben jij zult bekleed hebben hij zal bekleed hebben wij zullen bekleed hebben jullie zullen bekleed hebben zij zullen bekleed hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bekleden jij zou bekleden hij zou bekleden wij zouden bekleden jullie zouden bekleden zij zouden bekleden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bekleed hebben jij zou bekleed hebben hij zou bekleed hebben wij zouden bekleed hebben jullie zouden bekleed hebben zij zouden bekleed hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bekleed
|