NL: bekennenSynoniemen: bekennen
DE: zugeben, einräumen, anerkennen, eingestehen, einsehen, gestehen, zugestehen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beken jij bekent hij bekent wij bekennen jullie bekennen zij bekennen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bekend jij hebt bekend hij heeft bekend wij hebben bekend jullie hebben bekend zij hebben bekend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bekende jij bekende hij bekende wij bekenden jullie bekenden zij bekenden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bekend jij had bekend hij had bekend wij hadden bekend jullie hadden bekend zij hadden bekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bekennen jij zult bekennen hij zal bekennen wij zullen bekennen jullie zullen bekennen zij zullen bekennen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bekend hebben jij zult bekend hebben hij zal bekend hebben wij zullen bekend hebben jullie zullen bekend hebben zij zullen bekend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bekennen jij zou bekennen hij zou bekennen wij zouden bekennen jullie zouden bekennen zij zouden bekennen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bekend hebben jij zou bekend hebben hij zou bekend hebben wij zouden bekend hebben jullie zouden bekend hebben zij zouden bekend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beken
|
DE: bekennenSynoniemen: zugeben, einräumen, anerkennen, eingestehen, einsehen, gestehen, zugestehen
NL: bekennen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bekannt bekennend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bekenne du bekennst er bekennt wir bekennen ihr bekennt sie; Sie bekennen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bekannt du hast bekannt er hat bekannt wir haben bekannt ihr habt bekannt sie; Sie haben bekannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bekannte du bekanntest er bekannte wir bekannten ihr bekanntet sie; Sie bekannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bekannt du hattest bekannt er hatte bekannt wir hatten bekannt ihr hattet bekannt sie; Sie hatten bekannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bekennen du wirst bekennen er wird bekennen wir werden bekennen ihr werdet bekennen sie; Sie werden bekennen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bekannt haben du wirst bekannt haben er wird bekannt haben wir werden bekannt haben ihr werdet bekannt haben sie; Sie werden bekannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bekenne du bekennest er bekenne wir bekennen ihr bekennet sie; Sie bekennen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bekannt du habest bekannt er habe bekannt wir haben bekannt ihr habet bekannt sie; Sie haben bekannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bekennte du bekenntest er bekennte wir bekennten ihr bekenntet sie; Sie bekennten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bekannt du hättest bekannt er hätte bekannt wir hätten bekannt ihr hättet bekannt sie; Sie hätten bekannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bekennen du würdest bekennen er würde bekennen wir würden bekennen ihr würdet bekennen sie; Sie würden bekennen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bekannt haben du würdest bekannt haben er würde bekannt haben wir würden bekannt haben ihr würdet bekannt haben sie; Sie würden bekannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bekenne
|