NL: bejubelenSynoniemen: toejuichen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bejubeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bejubel jij bejubelt hij bejubelt wij bejubelen jullie bejubelen zij bejubelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bejubeld jij hebt bejubeld hij heeft bejubeld wij hebben bejubeld jullie hebben bejubeld zij hebben bejubeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bejubelde jij bejubelde hij bejubelde wij bejubelden jullie bejubelden zij bejubelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bejubeld jij had bejubeld hij had bejubeld wij hadden bejubeld jullie hadden bejubeld zij hadden bejubeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bejubelen jij zult bejubelen hij zal bejubelen wij zullen bejubelen jullie zullen bejubelen zij zullen bejubelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bejubeld hebben jij zult bejubeld hebben hij zal bejubeld hebben wij zullen bejubeld hebben jullie zullen bejubeld hebben zij zullen bejubeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bejubelen jij zou bejubelen hij zou bejubelen wij zouden bejubelen jullie zouden bejubelen zij zouden bejubelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bejubeld hebben jij zou bejubeld hebben hij zou bejubeld hebben wij zouden bejubeld hebben jullie zouden bejubeld hebben zij zouden bejubeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bejubel
|