NL: beitsenDE: beizen
EN: stain
ES: nogalinar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebeitst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beits jij beitst hij beitst wij beitsen jullie beitsen zij beitsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebeitst jij hebt gebeitst hij heeft gebeitst wij hebben gebeitst jullie hebben gebeitst zij hebben gebeitst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik beitste jij beitste hij beitste wij beitsten jullie beitsten zij beitsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebeitst jij had gebeitst hij had gebeitst wij hadden gebeitst jullie hadden gebeitst zij hadden gebeitst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal beitsen jij zult beitsen hij zal beitsen wij zullen beitsen jullie zullen beitsen zij zullen beitsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebeitst hebben jij zult gebeitst hebben hij zal gebeitst hebben wij zullen gebeitst hebben jullie zullen gebeitst hebben zij zullen gebeitst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou beitsen jij zou beitsen hij zou beitsen wij zouden beitsen jullie zouden beitsen zij zouden beitsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebeitst hebben jij zou gebeitst hebben hij zou gebeitst hebben wij zouden gebeitst hebben jullie zouden gebeitst hebben zij zouden gebeitst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beits
|