Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

bedingen vervoegen




DE: bedingen

NL: bedingen
Synoniemen: stipuleren

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
bedongen
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik beding
jij bedingt
hij bedingt
wij bedingen
jullie bedingen
zij bedingen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb bedongen
jij hebt bedongen
hij heeft bedongen
wij hebben bedongen
jullie hebben bedongen
zij hebben bedongen
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik bedong
jij bedong
hij bedong
wij bedongen
jullie bedongen
zij bedongen
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had bedongen
jij had bedongen
hij had bedongen
wij hadden bedongen
jullie hadden bedongen
zij hadden bedongen
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal bedingen
jij zult bedingen
hij zal bedingen
wij zullen bedingen
jullie zullen bedingen
zij zullen bedingen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal bedongen hebben
jij zult bedongen hebben
hij zal bedongen hebben
wij zullen bedongen hebben
jullie zullen bedongen hebben
zij zullen bedongen hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou bedingen
jij zou bedingen
hij zou bedingen
wij zouden bedingen
jullie zouden bedingen
zij zouden bedingen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou bedongen hebben
jij zou bedongen hebben
hij zou bedongen hebben
wij zouden bedongen hebben
jullie zouden bedongen hebben
zij zouden bedongen hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
beding


DE: bedingen
NL: stipuleren
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
bedungen
bedingend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich bedinge
du bedingst
er bedingt
wir bedingen
ihr bedingt
sie; Sie bedingen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe bedungen
du hast bedungen
er hat bedungen
wir haben bedungen
ihr habt bedungen
sie; Sie haben bedungen
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich bedang; bedingte
du bedangst; bedingtest
er bedang; bedingte
wir bedangen; bedingten
ihr bedangt; bedingtet
sie; Sie bedangen; bedingten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte bedungen
du hattest bedungen
er hatte bedungen
wir hatten bedungen
ihr hattet bedungen
sie; Sie hatten bedungen
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde bedingen
du wirst bedingen
er wird bedingen
wir werden bedingen
ihr werdet bedingen
sie; Sie werden bedingen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde bedungen sein
du wirst bedungen haben
er wird bedungen haben
wir werden bedungen haben
ihr werdet bedungen haben
sie; Sie werden bedungen haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich bedinge
du bedingest
er bedinge
wir bedingen
ihr bedinget
sie; Sie bedingen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich sei bedungen
du habest bedungen
er habe bedungen
wir haben bedungen
ihr habet bedungen
sie; Sie haben bedungen
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich bedänge
du bedängest
er bedänge
wir bedängen
ihr bedänget
sie; Sie bedängen
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte bedungen
du hättest bedungen
er hätte bedungen
wir hätten bedungen
ihr hättet bedungen
sie; Sie hätten bedungen
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde bedingen
du würdest bedingen
er würde bedingen
wir würden bedingen
ihr würdet bedingen
sie; Sie würden bedingen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde bedungen sein
du würdest bedungen haben
er würde bedungen haben
wir würden bedungen haben
ihr würdet bedungen haben
sie; Sie würden bedungen haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du bedinge; beding

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/bedingen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald