NL: bedingenSynoniemen: stipuleren
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bedongen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik beding jij bedingt hij bedingt wij bedingen jullie bedingen zij bedingen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bedongen jij hebt bedongen hij heeft bedongen wij hebben bedongen jullie hebben bedongen zij hebben bedongen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bedong jij bedong hij bedong wij bedongen jullie bedongen zij bedongen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bedongen jij had bedongen hij had bedongen wij hadden bedongen jullie hadden bedongen zij hadden bedongen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bedingen jij zult bedingen hij zal bedingen wij zullen bedingen jullie zullen bedingen zij zullen bedingen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bedongen hebben jij zult bedongen hebben hij zal bedongen hebben wij zullen bedongen hebben jullie zullen bedongen hebben zij zullen bedongen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bedingen jij zou bedingen hij zou bedingen wij zouden bedingen jullie zouden bedingen zij zouden bedingen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bedongen hebben jij zou bedongen hebben hij zou bedongen hebben wij zouden bedongen hebben jullie zouden bedongen hebben zij zouden bedongen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
beding
|
DE: bedingenNL: stipuleren
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bedungen bedingend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bedinge du bedingst er bedingt wir bedingen ihr bedingt sie; Sie bedingen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bedungen du hast bedungen er hat bedungen wir haben bedungen ihr habt bedungen sie; Sie haben bedungen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bedang; bedingte du bedangst; bedingtest er bedang; bedingte wir bedangen; bedingten ihr bedangt; bedingtet sie; Sie bedangen; bedingten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bedungen du hattest bedungen er hatte bedungen wir hatten bedungen ihr hattet bedungen sie; Sie hatten bedungen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedingen du wirst bedingen er wird bedingen wir werden bedingen ihr werdet bedingen sie; Sie werden bedingen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedungen sein du wirst bedungen haben er wird bedungen haben wir werden bedungen haben ihr werdet bedungen haben sie; Sie werden bedungen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bedinge du bedingest er bedinge wir bedingen ihr bedinget sie; Sie bedingen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei bedungen du habest bedungen er habe bedungen wir haben bedungen ihr habet bedungen sie; Sie haben bedungen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bedänge du bedängest er bedänge wir bedängen ihr bedänget sie; Sie bedängen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bedungen du hättest bedungen er hätte bedungen wir hätten bedungen ihr hättet bedungen sie; Sie hätten bedungen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedingen du würdest bedingen er würde bedingen wir würden bedingen ihr würdet bedingen sie; Sie würden bedingen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedungen sein du würdest bedungen haben er würde bedungen haben wir würden bedungen haben ihr würdet bedungen haben sie; Sie würden bedungen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bedinge; beding
|