NL: bedienenSynoniemen: bedienen, serveren
DE: dienen, helfen, einen Dienst erweisen, handhaben, hantieren, betätigen, führen, manövrieren, servieren, auftischen, auftragen, aufwarten, bewirten
EN: serve, attend to
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bediend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bedien jij bedient hij bedient wij bedienen jullie bedienen zij bedienen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bediend jij hebt bediend hij heeft bediend wij hebben bediend jullie hebben bediend zij hebben bediend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bediende jij bediende hij bediende wij bedienden jullie bedienden zij bedienden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bediend jij had bediend hij had bediend wij hadden bediend jullie hadden bediend zij hadden bediend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bedienen jij zult bedienen hij zal bedienen wij zullen bedienen jullie zullen bedienen zij zullen bedienen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bediend hebben jij zult bediend hebben hij zal bediend hebben wij zullen bediend hebben jullie zullen bediend hebben zij zullen bediend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bedienen jij zou bedienen hij zou bedienen wij zouden bedienen jullie zouden bedienen zij zouden bedienen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bediend hebben jij zou bediend hebben hij zou bediend hebben wij zouden bediend hebben jullie zouden bediend hebben zij zouden bediend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bedien
|
DE: bedienenSynoniemen: dienen, helfen, einen Dienst erweisen, handhaben, hantieren, betätigen, führen, manövrieren, servieren, auftischen, auftragen, aufwarten, bewirten
NL: bedienen, serveren
EN: serve, attend to
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bedient bedienend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bediene du bedienst er bedient wir bedienen ihr bedient sie; Sie bedienen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bedient du hast bedient er hat bedient wir haben bedient ihr habt bedient sie; Sie haben bedient
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bediente du bedientest er bediente wir bedienten ihr bedientet sie; Sie bedienten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bedient du hattest bedient er hatte bedient wir hatten bedient ihr hattet bedient sie; Sie hatten bedient
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedienen du wirst bedienen er wird bedienen wir werden bedienen ihr werdet bedienen sie; Sie werden bedienen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedient haben du wirst bedient haben er wird bedient haben wir werden bedient haben ihr werdet bedient haben sie; Sie werden bedient haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bediene du bedienest er bediene wir bedienen ihr bedienet sie; Sie bedienen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bedient du habest bedient er habe bedient wir haben bedient ihr habet bedient sie; Sie haben bedient
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bediente du bedientest er bediente wir bedienten ihr bedientet sie; Sie bedienten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bedient du hättest bedient er hätte bedient wir hätten bedient ihr hättet bedient sie; Sie hätten bedient
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedienen du würdest bedienen er würde bedienen wir würden bedienen ihr würdet bedienen sie; Sie würden bedienen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedient haben du würdest bedient haben er würde bedient haben wir würden bedient haben ihr würdet bedient haben sie; Sie würden bedient haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bediene
|