NL: bedenkenSynoniemen: bedenken (überlegen): beschouwen, overwegen, overdenken, afwegen
DE: abwägen, erwägen, hin und her überlegen, wägen, überlegen, einer Sache Rechnung tragen, berücksichtigen, denken an, einkalkulieren, in Betracht ziehen, Rücksicht nehmen auf, sich beraten, beraten, berücksichtigen, erwägen, in Erwägung ziehen, na
EN: bedenken (überlegen): consider, regard, think it over, think out
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bedacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bedenk jij bedenkt hij bedenkt wij bedenken jullie bedenken zij bedenken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bedacht jij hebt bedacht hij heeft bedacht wij hebben bedacht jullie hebben bedacht zij hebben bedacht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bedacht jij bedacht hij bedacht wij bedachten jullie bedachten zij bedachten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bedacht jij had bedacht hij had bedacht wij hadden bedacht jullie hadden bedacht zij hadden bedacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bedenken jij zult bedenken hij zal bedenken wij zullen bedenken jullie zullen bedenken zij zullen bedenken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bedacht hebben jij zult bedacht hebben hij zal bedacht hebben wij zullen bedacht hebben jullie zullen bedacht hebben zij zullen bedacht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bedenken jij zou bedenken hij zou bedenken wij zouden bedenken jullie zouden bedenken zij zouden bedenken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bedacht hebben jij zou bedacht hebben hij zou bedacht hebben wij zouden bedacht hebben jullie zouden bedacht hebben zij zouden bedacht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bedenk
|
DE: bedenkenSynoniemen: abwägen, erwägen, hin und her überlegen, wägen, überlegen, einer Sache Rechnung tragen, berücksichtigen, denken an, einkalkulieren, in Betracht ziehen, Rücksicht nehmen auf, sich beraten, beraten, berücksichtigen, erwägen, in Erwägung ziehen, na
NL: bedenken (überlegen): beschouwen, overwegen, overdenken, afwegen
EN: bedenken (überlegen): consider, regard, think it over, think out
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bedacht bedenkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bedenke du bedenkst er bedenkt wir bedenken ihr bedenkt sie; Sie bedenken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bedacht du hast bedacht er hat bedacht wir haben bedacht ihr habt bedacht sie; Sie haben bedacht
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bedachte du bedachtest er bedachte wir bedachten ihr bedachtet sie; Sie bedachten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bedacht du hattest bedacht er hatte bedacht wir hatten bedacht ihr hattet bedacht sie; Sie hatten bedacht
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedenken du wirst bedenken er wird bedenken wir werden bedenken ihr werdet bedenken sie; Sie werden bedenken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedacht haben du wirst bedacht haben er wird bedacht haben wir werden bedacht haben ihr werdet bedacht haben sie; Sie werden bedacht haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bedenke du bedenkest er bedenke wir bedenken ihr bedenket sie; Sie bedenken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bedacht du habest bedacht er habe bedacht wir haben bedacht ihr habet bedacht sie; Sie haben bedacht
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bedächte du bedächtest er bedächte wir bedächten ihr bedächtet sie; Sie bedächten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bedacht du hättest bedacht er hätte bedacht wir hätten bedacht ihr hättet bedacht sie; Sie hätten bedacht
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedenken du würdest bedenken er würde bedenken wir würden bedenken ihr würdet bedenken sie; Sie würden bedenken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedacht haben du würdest bedacht haben er würde bedacht haben wir würden bedacht haben ihr würdet bedacht haben sie; Sie würden bedacht haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bedenke
|