NL: bedanken U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bedankt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bedank jij bedankt hij bedankt wij bedanken jullie bedanken zij bedanken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bedankt jij hebt bedankt hij heeft bedankt wij hebben bedankt jullie hebben bedankt zij hebben bedankt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bedankte jij bedankte hij bedankte wij bedankten jullie bedankten zij bedankten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bedankt jij had bedankt hij had bedankt wij hadden bedankt jullie hadden bedankt zij hadden bedankt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bedanken jij zult bedanken hij zal bedanken wij zullen bedanken jullie zullen bedanken zij zullen bedanken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bedankt hebben jij zult bedankt hebben hij zal bedankt hebben wij zullen bedankt hebben jullie zullen bedankt hebben zij zullen bedankt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bedanken jij zou bedanken hij zou bedanken wij zouden bedanken jullie zouden bedanken zij zouden bedanken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bedankt hebben jij zou bedankt hebben hij zou bedankt hebben wij zouden bedankt hebben jullie zouden bedankt hebben zij zouden bedankt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bedank
|
DE: bedanken| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
bedankt bedankend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bedanke du bedankst er bedankt wir bedanken ihr bedankt sie; Sie bedanken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe bedankt du hast bedankt er hat bedankt wir haben bedankt ihr habt bedankt sie; Sie haben bedankt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bedankte du bedanktest er bedankte wir bedankten ihr bedanktet sie; Sie bedankten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte bedankt du hattest bedankt er hatte bedankt wir hatten bedankt ihr hattet bedankt sie; Sie hatten bedankt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedanken du wirst bedanken er wird bedanken wir werden bedanken ihr werdet bedanken sie; Sie werden bedanken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bedankt haben du wirst bedankt haben er wird bedankt haben wir werden bedankt haben ihr werdet bedankt haben sie; Sie werden bedankt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bedanke du bedankest er bedanke wir bedanken ihr bedanket sie; Sie bedanken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe bedankt du habest bedankt er habe bedankt wir haben bedankt ihr habet bedankt sie; Sie haben bedankt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bedankte du bedanktest er bedankte wir bedankten ihr bedanktet sie; Sie bedankten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte bedankt du hättest bedankt er hätte bedankt wir hätten bedankt ihr hättet bedankt sie; Sie hätten bedankt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedanken du würdest bedanken er würde bedanken wir würden bedanken ihr würdet bedanken sie; Sie würden bedanken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bedankt haben du würdest bedankt haben er würde bedankt haben wir würden bedankt haben ihr würdet bedankt haben sie; Sie würden bedankt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bedanke
|