| Vervoegen: bankieren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gebankierd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik bankier jij bankiert hij bankiert wij bankieren jullie bankieren zij bankieren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gebankierd jij hebt gebankierd hij heeft gebankierd wij hebben gebankierd jullie hebben gebankierd zij hebben gebankierd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik bankierde jij bankierde hij bankierde wij bankierden jullie bankierden zij bankierden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gebankierd jij had gebankierd hij had gebankierd wij hadden gebankierd jullie hadden gebankierd zij hadden gebankierd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal bankieren jij zult bankieren hij zal bankieren wij zullen bankieren jullie zullen bankieren zij zullen bankieren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gebankierd hebben jij zult gebankierd hebben hij zal gebankierd hebben wij zullen gebankierd hebben jullie zullen gebankierd hebben zij zullen gebankierd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou bankieren jij zou bankieren hij zou bankieren wij zouden bankieren jullie zouden bankieren zij zouden bankieren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gebankierd hebben jij zou gebankierd hebben hij zou gebankierd hebben wij zouden gebankierd hebben jullie zouden gebankierd hebben zij zouden gebankierd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| bankier |