NL: banjerenSynoniemen: slenteren
DE: spazieren, gehen, bummeln, wandeln, schlendern, spazierengehen, trödeln
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebanjerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik banjer jij banjert hij banjert wij banjeren jullie banjeren zij banjeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebanjerd jij hebt gebanjerd hij heeft gebanjerd wij hebben gebanjerd jullie hebben gebanjerd zij hebben gebanjerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik banjerde jij banjerde hij banjerde wij banjerden jullie banjerden zij banjerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebanjerd jij had gebanjerd hij had gebanjerd wij hadden gebanjerd jullie hadden gebanjerd zij hadden gebanjerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal banjeren jij zult banjeren hij zal banjeren wij zullen banjeren jullie zullen banjeren zij zullen banjeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebanjerd hebben jij zult gebanjerd hebben hij zal gebanjerd hebben wij zullen gebanjerd hebben jullie zullen gebanjerd hebben zij zullen gebanjerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou banjeren jij zou banjeren hij zou banjeren wij zouden banjeren jullie zouden banjeren zij zouden banjeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebanjerd hebben jij zou gebanjerd hebben hij zou gebanjerd hebben wij zouden gebanjerd hebben jullie zouden gebanjerd hebben zij zouden gebanjerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
banjer
|