| Vervoegen: balsemen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gebalsemd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik balsem jij balsemt hij balsemt wij balsemen jullie balsemen zij balsemen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gebalsemd jij hebt gebalsemd hij heeft gebalsemd wij hebben gebalsemd jullie hebben gebalsemd zij hebben gebalsemd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik balsemde jij balsemde hij balsemde wij balsemden jullie balsemden zij balsemden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gebalsemd jij had gebalsemd hij had gebalsemd wij hadden gebalsemd jullie hadden gebalsemd zij hadden gebalsemd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal balsemen jij zult balsemen hij zal balsemen wij zullen balsemen jullie zullen balsemen zij zullen balsemen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gebalsemd hebben jij zult gebalsemd hebben hij zal gebalsemd hebben wij zullen gebalsemd hebben jullie zullen gebalsemd hebben zij zullen gebalsemd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou balsemen jij zou balsemen hij zou balsemen wij zouden balsemen jullie zouden balsemen zij zouden balsemen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gebalsemd hebben jij zou gebalsemd hebben hij zou gebalsemd hebben wij zouden gebalsemd hebben jullie zouden gebalsemd hebben zij zouden gebalsemd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| balsem |