NL: ballenSynoniemen: ballen (Abnormal intrigieren): obsederen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bal jij balt hij balt wij ballen jullie ballen zij ballen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebald jij hebt gebald hij heeft gebald wij hebben gebald jullie hebben gebald zij hebben gebald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik balde jij balde hij balde wij balden jullie balden zij balden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebald jij had gebald hij had gebald wij hadden gebald jullie hadden gebald zij hadden gebald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ballen jij zult ballen hij zal ballen wij zullen ballen jullie zullen ballen zij zullen ballen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebald hebben jij zult gebald hebben hij zal gebald hebben wij zullen gebald hebben jullie zullen gebald hebben zij zullen gebald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ballen jij zou ballen hij zou ballen wij zouden ballen jullie zouden ballen zij zouden ballen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebald hebben jij zou gebald hebben hij zou gebald hebben wij zouden gebald hebben jullie zouden gebald hebben zij zouden gebald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bal
|
DE: ballenNL: ballen (Abnormal intrigieren): obsederen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geballt ballend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich balle du ballst er ballt wir ballen ihr ballt sie; Sie ballen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geballt du hast geballt er hat geballt wir haben geballt ihr habt geballt sie; Sie haben geballt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich ballte du balltest er ballte wir ballten ihr balltet sie; Sie ballten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geballt du hattest geballt er hatte geballt wir hatten geballt ihr hattet geballt sie; Sie hatten geballt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde ballen du wirst ballen er wird ballen wir werden ballen ihr werdet ballen sie; Sie werden ballen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geballt haben du wirst geballt haben er wird geballt haben wir werden geballt haben ihr werdet geballt haben sie; Sie werden geballt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich balle du ballest er balle wir ballen ihr ballet sie; Sie ballen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geballt du habest geballt er habe geballt wir haben geballt ihr habet geballt sie; Sie haben geballt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ballte du balltest er ballte wir ballten ihr balltet sie; Sie ballten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geballt du hättest geballt er hätte geballt wir hätten geballt ihr hättet geballt sie; Sie hätten geballt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde ballen du würdest ballen er würde ballen wir würden ballen ihr würdet ballen sie; Sie würden ballen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geballt haben du würdest geballt haben er würde geballt haben wir würden geballt haben ihr würdet geballt haben sie; Sie würden geballt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du balle
|