NL: badenDE: schwimmen, planschen, ein Bad nehmen, duschen, eine Dusche nehmen, unter die Dusche gehen
EN: bathe
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebaad
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik baad jij baadt hij baadt wij baden jullie baden zij baden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebaad jij hebt gebaad hij heeft gebaad wij hebben gebaad jullie hebben gebaad zij hebben gebaad
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik baadde jij baadde hij baadde wij baadden jullie baadden zij baadden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebaad jij had gebaad hij had gebaad wij hadden gebaad jullie hadden gebaad zij hadden gebaad
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal baden jij zult baden hij zal baden wij zullen baden jullie zullen baden zij zullen baden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebaad hebben jij zult gebaad hebben hij zal gebaad hebben wij zullen gebaad hebben jullie zullen gebaad hebben zij zullen gebaad hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou baden jij zou baden hij zou baden wij zouden baden jullie zouden baden zij zouden baden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebaad hebben jij zou gebaad hebben hij zou gebaad hebben wij zouden gebaad hebben jullie zouden gebaad hebben zij zouden gebaad hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
baad
|
DE: badenSynoniemen: schwimmen, planschen, ein Bad nehmen, duschen, eine Dusche nehmen, unter die Dusche gehen
EN: bathe
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gebadet badend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bade du badest er badet wir baden ihr badet sie; Sie baden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gebadet du hast gebadet er hat gebadet wir haben gebadet ihr habt gebadet sie; Sie haben gebadet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich badete du badetest er badete wir badeten ihr badetet sie; Sie badeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gebadet du hattest gebadet er hatte gebadet wir hatten gebadet ihr hattet gebadet sie; Sie hatten gebadet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde baden du wirst baden er wird baden wir werden baden ihr werdet baden sie; Sie werden baden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gebadet haben du wirst gebadet haben er wird gebadet haben wir werden gebadet haben ihr werdet gebadet haben sie; Sie werden gebadet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bade du badest er bade wir baden ihr badet sie; Sie baden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gebadet du habest gebadet er habe gebadet wir haben gebadet ihr habet gebadet sie; Sie haben gebadet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich badete du badetest er badete wir badeten ihr badetet sie; Sie badeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gebadet du hättest gebadet er hätte gebadet wir hätten gebadet ihr hättet gebadet sie; Sie hätten gebadet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde baden du würdest baden er würde baden wir würden baden ihr würdet baden sie; Sie würden baden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gebadet haben du würdest gebadet haben er würde gebadet haben wir würden gebadet haben ihr würdet gebadet haben sie; Sie würden gebadet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du bade
|