Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

baden vervoegen




DE: baden

NL: baden
DE: schwimmen, planschen, ein Bad nehmen, duschen, eine Dusche nehmen, unter die Dusche gehen
EN: bathe

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gebaad
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik baad
jij baadt
hij baadt
wij baden
jullie baden
zij baden
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gebaad
jij hebt gebaad
hij heeft gebaad
wij hebben gebaad
jullie hebben gebaad
zij hebben gebaad
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik baadde
jij baadde
hij baadde
wij baadden
jullie baadden
zij baadden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gebaad
jij had gebaad
hij had gebaad
wij hadden gebaad
jullie hadden gebaad
zij hadden gebaad
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal baden
jij zult baden
hij zal baden
wij zullen baden
jullie zullen baden
zij zullen baden
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gebaad hebben
jij zult gebaad hebben
hij zal gebaad hebben
wij zullen gebaad hebben
jullie zullen gebaad hebben
zij zullen gebaad hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou baden
jij zou baden
hij zou baden
wij zouden baden
jullie zouden baden
zij zouden baden
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gebaad hebben
jij zou gebaad hebben
hij zou gebaad hebben
wij zouden gebaad hebben
jullie zouden gebaad hebben
zij zouden gebaad hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
baad


DE: baden
Synoniemen: schwimmen, planschen, ein Bad nehmen, duschen, eine Dusche nehmen, unter die Dusche gehen

EN: bathe
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gebadet
badend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich bade
du badest
er badet
wir baden
ihr badet
sie; Sie baden
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gebadet
du hast gebadet
er hat gebadet
wir haben gebadet
ihr habt gebadet
sie; Sie haben gebadet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich badete
du badetest
er badete
wir badeten
ihr badetet
sie; Sie badeten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gebadet
du hattest gebadet
er hatte gebadet
wir hatten gebadet
ihr hattet gebadet
sie; Sie hatten gebadet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde baden
du wirst baden
er wird baden
wir werden baden
ihr werdet baden
sie; Sie werden baden
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gebadet haben
du wirst gebadet haben
er wird gebadet haben
wir werden gebadet haben
ihr werdet gebadet haben
sie; Sie werden gebadet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich bade
du badest
er bade
wir baden
ihr badet
sie; Sie baden
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gebadet
du habest gebadet
er habe gebadet
wir haben gebadet
ihr habet gebadet
sie; Sie haben gebadet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich badete
du badetest
er badete
wir badeten
ihr badetet
sie; Sie badeten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gebadet
du hättest gebadet
er hätte gebadet
wir hätten gebadet
ihr hättet gebadet
sie; Sie hätten gebadet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde baden
du würdest baden
er würde baden
wir würden baden
ihr würdet baden
sie; Sie würden baden
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gebadet haben
du würdest gebadet haben
er würde gebadet haben
wir würden gebadet haben
ihr würdet gebadet haben
sie; Sie würden gebadet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du bade

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/baden

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald