NL: babbelenSynoniemen: keuvelen, kwebbelen, lullen, praten, roddelen, teuten, kletsen, ratelen, zwammen, wauwelen, spreken, snateren, kwetteren, kwekken, klappen, kakelen
DE: babbelen (kwebbelen): schwatzen, schnattern
EN: babbelen (kwebbelen): jabber away, chatter
ES: babbelen (kwebbelen): charlar, cacarear, cloquear, parlanchinear, cascar, parlar, cotorrear, parlotear
FR: babbelen (kwebbelen): claqueter
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebabbeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik babbel jij babbelt hij babbelt wij babbelen jullie babbelen zij babbelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebabbeld jij hebt gebabbeld hij heeft gebabbeld wij hebben gebabbeld jullie hebben gebabbeld zij hebben gebabbeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik babbelde jij babbelde hij babbelde wij babbelden jullie babbelden zij babbelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebabbeld jij had gebabbeld hij had gebabbeld wij hadden gebabbeld jullie hadden gebabbeld zij hadden gebabbeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal babbelen jij zult babbelen hij zal babbelen wij zullen babbelen jullie zullen babbelen zij zullen babbelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebabbeld hebben jij zult gebabbeld hebben hij zal gebabbeld hebben wij zullen gebabbeld hebben jullie zullen gebabbeld hebben zij zullen gebabbeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou babbelen jij zou babbelen hij zou babbelen wij zouden babbelen jullie zouden babbelen zij zouden babbelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebabbeld hebben jij zou gebabbeld hebben hij zou gebabbeld hebben wij zouden gebabbeld hebben jullie zouden gebabbeld hebben zij zouden gebabbeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
babbel
|