NL: asfalterenSynoniemen: bestraten
EN: asphalt
FR: asphalter, bitumer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geasfalteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik asfalteer jij asfalteert hij asfalteert wij asfalteren jullie asfalteren zij asfalteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geasfalteerd jij hebt geasfalteerd hij heeft geasfalteerd wij hebben geasfalteerd jullie hebben geasfalteerd zij hebben geasfalteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik asfalteerde jij asfalteerde hij asfalteerde wij asfalteerden jullie asfalteerden zij asfalteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geasfalteerd jij had geasfalteerd hij had geasfalteerd wij hadden geasfalteerd jullie hadden geasfalteerd zij hadden geasfalteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal asfalteren jij zult asfalteren hij zal asfalteren wij zullen asfalteren jullie zullen asfalteren zij zullen asfalteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geasfalteerd hebben jij zult geasfalteerd hebben hij zal geasfalteerd hebben wij zullen geasfalteerd hebben jullie zullen geasfalteerd hebben zij zullen geasfalteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou asfalteren jij zou asfalteren hij zou asfalteren wij zouden asfalteren jullie zouden asfalteren zij zouden asfalteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geasfalteerd hebben jij zou geasfalteerd hebben hij zou geasfalteerd hebben wij zouden geasfalteerd hebben jullie zouden geasfalteerd hebben zij zouden geasfalteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
asfalteer
|