Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

argumenteren vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: argumenteren
Synoniemen: beredeneren, redeneren, redetwisten, twisten, disputeren

EN: argumenteren (beredeneren): argue, reason
ES: argumenteren (beredeneren): argumentar
FR: argumenteren (beredeneren): raisonner, argumenter

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geargumenteerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik argumenteer
jij argumenteert
hij argumenteert
wij argumenteren
jullie argumenteren
zij argumenteren
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geargumenteerd
jij hebt geargumenteerd
hij heeft geargumenteerd
wij hebben geargumenteerd
jullie hebben geargumenteerd
zij hebben geargumenteerd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik argumenteerde
jij argumenteerde
hij argumenteerde
wij argumenteerden
jullie argumenteerden
zij argumenteerden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geargumenteerd
jij had geargumenteerd
hij had geargumenteerd
wij hadden geargumenteerd
jullie hadden geargumenteerd
zij hadden geargumenteerd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal argumenteren
jij zult argumenteren
hij zal argumenteren
wij zullen argumenteren
jullie zullen argumenteren
zij zullen argumenteren
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geargumenteerd hebben
jij zult geargumenteerd hebben
hij zal geargumenteerd hebben
wij zullen geargumenteerd hebben
jullie zullen geargumenteerd hebben
zij zullen geargumenteerd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou argumenteren
jij zou argumenteren
hij zou argumenteren
wij zouden argumenteren
jullie zouden argumenteren
zij zouden argumenteren
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geargumenteerd hebben
jij zou geargumenteerd hebben
hij zou geargumenteerd hebben
wij zouden geargumenteerd hebben
jullie zouden geargumenteerd hebben
zij zouden geargumenteerd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
argumenteer

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/argumenteren

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English