NL: arcerenDE: schraffieren
EN: hatch, shade
FR: hachurer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gearceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik arceer jij arceert hij arceert wij arceren jullie arceren zij arceren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gearceerd jij hebt gearceerd hij heeft gearceerd wij hebben gearceerd jullie hebben gearceerd zij hebben gearceerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik arceerde jij arceerde hij arceerde wij arceerden jullie arceerden zij arceerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gearceerd jij had gearceerd hij had gearceerd wij hadden gearceerd jullie hadden gearceerd zij hadden gearceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal arceren jij zult arceren hij zal arceren wij zullen arceren jullie zullen arceren zij zullen arceren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gearceerd hebben jij zult gearceerd hebben hij zal gearceerd hebben wij zullen gearceerd hebben jullie zullen gearceerd hebben zij zullen gearceerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou arceren jij zou arceren hij zou arceren wij zouden arceren jullie zouden arceren zij zouden arceren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gearceerd hebben jij zou gearceerd hebben hij zou gearceerd hebben wij zouden gearceerd hebben jullie zouden gearceerd hebben zij zouden gearceerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
arceer
|