NL: aligneren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gealigneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik aligneer jij aligneert hij aligneert wij aligneren jullie aligneren zij aligneren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gealigneerd jij hebt gealigneerd hij heeft gealigneerd wij hebben gealigneerd jullie hebben gealigneerd zij hebben gealigneerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik aligneerde jij aligneerde hij aligneerde wij aligneerden jullie aligneerden zij aligneerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gealigneerd jij had gealigneerd hij had gealigneerd wij hadden gealigneerd jullie hadden gealigneerd zij hadden gealigneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aligneren jij zult aligneren hij zal aligneren wij zullen aligneren jullie zullen aligneren zij zullen aligneren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gealigneerd hebben jij zult gealigneerd hebben hij zal gealigneerd hebben wij zullen gealigneerd hebben jullie zullen gealigneerd hebben zij zullen gealigneerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aligneren jij zou aligneren hij zou aligneren wij zouden aligneren jullie zouden aligneren zij zouden aligneren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gealigneerd hebben jij zou gealigneerd hebben hij zou gealigneerd hebben wij zouden gealigneerd hebben jullie zouden gealigneerd hebben zij zouden gealigneerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
aligneer
|