NL: alfabetiseren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gealfabetiseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik alfabetiseer jij alfabetiseert hij alfabetiseert wij alfabetiseren jullie alfabetiseren zij alfabetiseren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gealfabetiseerd jij hebt gealfabetiseerd hij heeft gealfabetiseerd wij hebben gealfabetiseerd jullie hebben gealfabetiseerd zij hebben gealfabetiseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik alfabetiseerde jij alfabetiseerde hij alfabetiseerde wij alfabetiseerden jullie alfabetiseerden zij alfabetiseerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gealfabetiseerd jij had gealfabetiseerd hij had gealfabetiseerd wij hadden gealfabetiseerd jullie hadden gealfabetiseerd zij hadden gealfabetiseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal alfabetiseren jij zult alfabetiseren hij zal alfabetiseren wij zullen alfabetiseren jullie zullen alfabetiseren zij zullen alfabetiseren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gealfabetiseerd hebben jij zult gealfabetiseerd hebben hij zal gealfabetiseerd hebben wij zullen gealfabetiseerd hebben jullie zullen gealfabetiseerd hebben zij zullen gealfabetiseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou alfabetiseren jij zou alfabetiseren hij zou alfabetiseren wij zouden alfabetiseren jullie zouden alfabetiseren zij zouden alfabetiseren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gealfabetiseerd hebben jij zou gealfabetiseerd hebben hij zou gealfabetiseerd hebben wij zouden gealfabetiseerd hebben jullie zouden gealfabetiseerd hebben zij zouden gealfabetiseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
alfabetiseer
|